AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening tegen dwangsom voor bewoning woonboot in Chaam
Het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam legde verzoeker bij besluit van 9 augustus 2004 een dwangsom op om de bewoning van een woonboot in de Klaroeskavijver te staken. Verzoeker maakte bezwaar en stelde beroep in, dat door de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda ongegrond werd verklaard.
Verzoeker vroeg vervolgens bij de Raad van State om een voorlopige voorziening. De Voorzitter behandelde het verzoek en overwoog dat de woonboot als bouwwerk onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt, waardoor handhaving tegen de aanwezigheid niet mogelijk is. Het gebruik van de woonboot als woning wordt echter niet beschermd door het overgangsrecht omdat dit gebruik strijdig was met het oude bestemmingsplan.
De Voorzitter oordeelde dat het belang van verzoeker bij bewoning met zijn gezin tijdens het hoger beroep zwaarder weegt dan de belangen van het college, en schorst daarom de dwangsombesluiten. Tevens veroordeelde hij het college tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht die verzoeker maakte in verband met de behandeling van het verzoek.
Uitkomst: De dwangsombesluiten worden geschorst en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitspraak
200503878/2.
Datum uitspraak: 9 juni 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
tegen de uitspraak in zaak no. 05/630 VV 05/631 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 22 maart 2005 in het geding tussen:
verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam (hierna: het college) verzoeker onder oplegging van een dwangsom gelast de bewoning van een woonboot in de Klaroeskavijver op het perceel [locatie] te Chaam te staken en gestaakt te houden.
Bij besluit van 23 februari 2005 heeft het college het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 maart 2005, verzonden op 12 april 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 29 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2005, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 29 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2005, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 mei 2005, waar verzoeker in persoon, bijgestaan door mr. A.C. Bragt, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.L. van der Molen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Volgens het college is de woonboot een bouwwerk en valt deze onder de beschermende werking van het in het bestemmingsplan "Buitengebied Chaam" voor bouwwerken neergelegde overgangsrecht. Dit betekent naar het oordeel van het college dat tegen de aanwezigheid van de woonboot niet handhavend kan worden opgetreden. Het gebruik van de woonboot voor woondoeleinden wordt echter volgens het college niet door het voor gebruik in het bestemmingsplan neergelegde overgangsrecht beschermd, omdat dit overgangsrecht niet van toepassing is op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan. Bovendien is geen sprake van voor dit gebruik impliciet verleende vrijstelling, aldus het college.
2.2. De voorzieningenrechter is het college slechts gedeeltelijk in zijn overwegingen gevolgd, maar tot hetzelfde eindoordeel over de toelaatbaarheid van het gebruik van de woonboot gekomen. Verzoeker betoogt onder meer dat de voorzieningenrechter aldus buiten de grenzen van het geschil is getreden. De onderhavige procedure leent zich niet voor een inhoudelijke beoordeling van dit betoog en de overige betogen van verzoeker. Dit dient in de bodemprocedure te geschieden.
2.3. Nu de woonboot mag blijven liggen, op voorhand niet kan worden uitgesloten dat de bewoning ervan al enige tijd plaatsvond en verzoeker groot belang heeft bij het hangende het hoger beroep met zijn gezin mogen bewonen van de woonboot, en anderzijds niet is gebleken van dringende belangen aan de zijde van het college die maken dat het hoger beroep niet kan worden afgewacht, ziet de Voorzitter aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.4. Het college dient voorts op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam van onderscheidenlijk 9 augustus 2004, kenmerk ROB/RM/U4314, en 23 februari 2005, kenmerk ROB/RM/U1472;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 698,61 (zegge: zeshonderdachtennegentig euro en eenenzestig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de gemeente Alphen-Chaam aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
III. gelast dat de gemeente Alphen-Chaam aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 207,00 (zegge: tweehonderdzeven euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.