ECLI:NL:RVS:2005:AT7956
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- R.E.A. Matulewicz
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking urgentieverklaring en recht op bemiddeling
Appellante kreeg op 11 december 2002 een urgentieverklaring verstrekt door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Bij besluit van 6 oktober 2003 werd dit recht op bemiddeling en de urgentieverklaring ingetrokken. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de Algemene Bezwaarschriftencommissie verklaarde dit bezwaar ongegrond. Vervolgens verklaarde de rechtbank Rotterdam het beroep van appellante tegen deze beslissing eveneens ongegrond.
Appellante stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling stelde ambtshalve vast dat de Algemene Bezwaarschriftencommissie niet bevoegd was om namens het college te beslissen op het bezwaar, omdat de heroverwegingsbevoegdheid volgens artikel 7:11 Awb Pro niet gemandateerd mag worden aan een orgaan buiten de directe invloedssfeer van het bestuursorgaan dat het oorspronkelijke besluit nam.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de Algemene Bezwaarschriftencommissie. Het college werd opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij ook rekening gehouden kan worden met de woonomgeving in relatie tot de medische en sociale redenen voor de urgentieverklaring. Proceskosten werden niet toegekend, maar het betaalde griffierecht werd aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de urgentieverklaring wordt vernietigd.