Uitspraak
200206188/1(BR 2003, p. 1040) niet kan worden afgeleid dat niet mocht worden volstaan met het horen van het Stadsgewest Haaglanden, maar dat een herzieningsprocedure overeenkomstig het RSP had moeten worden gevoerd.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Naaldwijk (thans Westland) verleende bouwvergunningen voor het bouwen van twee woningen binnen een agrarisch glastuinbouwgebied, waarbij gebruik is gemaakt van een vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).
Appellant stelde beroep in tegen deze besluiten, stellende dat niet voldaan was aan de vereisten voor een goede ruimtelijke onderbouwing en dat de bouwplannen in strijd waren met het Regionaal Structuurplan Haaglanden (RSP) en het streekplan Zuid-Holland West. Tevens voerde appellant aan dat de afstand tot zijn glastuinbouwbedrijf onvoldoende was en dat alternatieve locaties niet waren onderzocht.
De Raad van State oordeelde dat de ruimtelijke onderbouwing adequaat was, mede omdat de nieuwe woningen de bestaande vervangen die moesten wijken voor infrastructuurverbetering. De afstand tot het glastuinbouwbedrijf was ruimschoots voldoende en het college had redelijk gehandeld bij de belangenafweging. De hoorplicht was niet volledig nageleefd, maar dit leidde niet tot vernietiging omdat gedeputeerde staten geen bezwaar hadden gemaakt.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de bouwvergunningen met vrijstelling bevestigd.