ECLI:NL:RVS:2005:AT9620

Raad van State

Datum uitspraak
13 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200504971/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wet op de OpenluchtrecreatieArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake vergunning exploitatie camping Le Parage te Noordwijk

Verzoeker, het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, verleende op 18 maart 2003 een vergunning aan Mijbupark B.V. voor de exploitatie van camping Le Parage. Tegen deze vergunning werd beroep ingesteld door wederpartij, waarna de rechtbank 's-Gravenhage op 2 mei 2005 bepaalde dat bepaalde voorschriften van de vergunning vernietigd moesten worden en dat verzoeker binnen acht weken een nieuw besluit moest nemen.

Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat opnieuw een beslissing op bezwaar genomen moest worden zolang het hoger beroep loopt. De Voorzitter behandelde dit verzoek op 29 juni 2005.

De Voorzitter oordeelde dat het verzoek gegrond is omdat de belangen van wederpartij onvoldoende wegen tegen het verzoek. De bodemprocedure zal op 29 september 2005 plaatsvinden en het is passend om de uitspraak daarvan af te wachten voordat nieuwe besluiten worden genomen. Ook is er onvoldoende belang bij een nieuwe beslissing op bezwaar over onder andere openingstijden en sluitingstijden van de kantine.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De voorlopige voorziening bepaalt dat verzoeker geen nieuwe beslissing op bezwaar hoeft te nemen totdat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist.

Uitkomst: Verzoeker hoeft geen nieuwe beslissing op bezwaar te nemen totdat op het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

200504971/2.
Datum uitspraak: 13 juli 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van onder meer:
het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk,
verzoeker,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1691 VEROR van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 mei 2005 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te [woonplaats]
en
verzoeker.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 18 maart 2003, verzonden op 27 maart 2003 heeft verzoeker onder het stellen van voorwaarden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Maatschappij tot exploitatie van bungalows en recreatieoorden Mijbupark B.V. (hierna: de vergunninghoudster) de gevraagde vergunning, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet op de Openluchtrecreatie, ten behoeve van de exploitatie van camping Le Parage aan de Langevelderlaan 43 te Noordwijk, verleend.
Bij besluit van 24 februari 2004 heeft verzoeker de daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en  - voor zover van belang - de bezwaren van de vergunninghoudster met betrekking tot de maximum lengte van de stacaravans gegrond en haar overige bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 mei 2005, verzonden op 3 mei 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, voor zover daarbij de voorschriften ten aanzien van de periode gedurende welke de camping mag zijn geopend, zijn gehandhaafd, voorts voor zover de mogelijkheid - neergelegd in voorschrift 3.9 - om ontheffing te verkrijgen van maatvoorschriften voor onder andere reeds aanwezige stacaravans, is gehandhaafd, en voor zover de voorschriften omtrent visuele afscheiding in de vorm van randbeplanting zijn gehandhaafd en tot slot, voorzover is nagelaten de verplichte sluitingstijden van de kantine op het terrein van 0.00 uur tot 6.00 uur als voorschrift in de vergunning op te nemen.
De rechtbank heeft voorts bepaald dat verzoeker binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 13 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2005, hoger beroep ingesteld. Bij deze brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Ook de vergunninghoudster heeft hoger beroep ingesteld.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 juni 2005, waar verzoeker, vertegenwoordigd door ing. A.C. Baljeu en J.C. Bedijn, beiden werkzaam op de Afdeling Vergunning en handhaving van de gemeente Noordwijk, is verschenen.
Voorts zijn [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. E.C. van Lent, advocaat te Leiden en de vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. D. Lasschuit, advocaat te Noordwijk, daar gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    Het verzoek heeft geen verdere strekking dan dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat verzoeker in afwachting van de uitspraak op de ingestelde hogere beroepen niet opnieuw op het bezwaarschrift hoeft te beslissen.
2.2.    In de bodemprocedure zal de Afdeling de vraag moeten beantwoorden of de aangevallen uitspraak, waarbij een aantal voorschriften van de in geding zijnde vergunning (die met name betrekking hebben op hetgeen in 2.4 aan de orde zal komen) zijn vernietigd, in stand zal blijven. Beantwoording van die vraag vereist een onderzoek, waarvoor de procedure van de voorlopige voorziening zich niet leent.
2.3.    Het verzoek is gegrond, nu de belangen van [wederpartij], die zich tegen toewijzing van het verzoek heeft verzet, naar het oordeel van de Voorzitter onvoldoende aan inwilliging van het verzoek dat een beperkte strekking heeft, in de weg staan, hetgeen onder 2.4 zal worden toegelicht.
2.4.    De Voorzitter neemt in aanmerking dat de behandeling van de bodemprocedure zal plaatsvinden op 29 september 2005. Partijen zullen daartoe nog worden opgeroepen. Gelet daarop heeft [wederpartij] thans geen of althans onvoldoende belang bij een nieuwe beslissing op bezwaar voor wat betreft de openingstijden in de kerst-en krokusvakantie. Voor wat betreft de sluitingstijden van de kantine heeft vergunninghoudster ter zitting gesteld, dat de in de Algemene plaatselijke verordening Noordwijk vermelde sluitingstijden in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure zullen worden nageleefd en heeft verzoeker aangegeven die, voorzover dat niet het geval zal zijn, te zullen handhaven, zodat ook te dien aanzien onvoldoende belang aan de zijde van [wederpartij] bestaat dat zich verzet tegen de gevraagde voorziening. Ook wat betreft de overige in geding zijnde voorschriften, zoals die ten aanzien van de groenbeplanting, valt niet in te zien, dat niet het spoedig te verkrijgen oordeel in de bodemprocedure zou kunnen worden afgewacht.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker geen nieuwe beslissing op het bezwaar hoeft te nemen voordat de Afdeling op de hoger beroepen heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.
w.g. Polak    w.g. De Koning
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005
221.