ECLI:NL:RVS:2005:AT9647

Raad van State

Datum uitspraak
13 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200504357/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
  • W. van Hardeveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet uniforme openbare voorbereidingsprocedure AwbAanpassingswet uniforme voorbereidingsprocedure AwbBesluit inrichtingen milieubeheerWet milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake handhaving geluidhinder en opslagactiviteiten

Verzoeker heeft bij de Raad van State een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende van 2 mei 2005. Dit besluit betrof de intrekking van eerdere besluiten en een gedeeltelijke toewijzing en afwijzing van een handhavingsverzoek met betrekking tot diverse activiteiten op het terrein van een inrichting op een perceel te een plaats.

De Voorzitter behandelde het verzoek op zitting op 1 juli 2005, waarbij partijen en een belanghebbende werden gehoord. Verzoeker stelde dat er sprake was van een spoedeisend belang vanwege onvoldoende handhaving tegen geluidhinder en het ontbreken van een last onder dwangsom na intrekking van een besluit betreffende opslag van materialen.

De Voorzitter stelde vast dat handhavend werd opgetreden tegen geluidhinder door het opleggen van lasten onder dwangsom en dat deze ook de opslagactiviteiten omvatten. Verzoeker had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze maatregelen niet effectief waren. Tevens werd geoordeeld dat de discussie over de grondslag van de lasten onder dwangsom in de bodemprocedure aan de orde moest komen.

Gelet op het ontbreken van een spoedeisend belang wees de Voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 13 juli 2005 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

200504357/2.
Datum uitspraak: 13 juli 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 2 mei 2005 heeft verweerder zijn eerdere besluiten van 1 juni 2004 en 16 december 2003 ingetrokken en het handhavingsverzoek van verzoeker van 13 maart 2002 met betrekking tot diverse activiteiten op het terrein van de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats] gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 18 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, beroep ingesteld.
Bij brief van 18 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 juli 2005, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door M.C.I. Smits, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts zijn daar [belanghebbende] als partij gehoord, bijgestaan door mr. G.C. Kooijman, advocaat te Den Bosch.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 24 juni 2002, Stb. 54) en de Aanpassingswet uniforme voorbereidingsprocedure Awb (wet van 26 mei 2005, Stb. 282) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.
2.3.    Het spoedeisend belang bij het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening is volgens verzoeker gelegen in de omstandigheden dat reeds lange tijd niet adequaat handhavend wordt opgetreden tegen de door de inrichting veroorzaakte geluidhinder en dat, vanwege de intrekking van het besluit van 1 juni 2004, geen last onder dwangsom meer geldt terzake van de opslag van kalk, grond, zand, puin of afvalstoffen op het terrein van de inrichting.
2.4.    De Voorzitter stelt vast dat door verweerder handhavend wordt opgetreden tegen de door de inrichting veroorzaakte geluidhinder, nu bij het bestreden besluit [belanghebbende] een aantal lasten onder dwangsom is opgelegd terzake van de overschrijding van de voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden. Deze lasten onder dwangsom ondervangen ook de eventuele geluidhinder ten gevolge van de activiteiten in verband met de opslag van kalk, grond, zand, puin of afvalstoffen op het terrein van de inrichting. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende lasten onder dwangsom niet effectief zouden zijn. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat niet is komen vast te staan dat in geen geval zou kunnen worden voldaan aan de voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden ter plaatse van de woning van verzoeker.
Voorzover verzoeker heeft betoogd dat de lasten onder dwangsom ten onrechte hun grondslag vinden in de overtreding van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer in plaats van de in de overtreding van de oprichtingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer van 23 januari 1996, overweegt de Voorzitter dat deze omstandigheid - wat daarvan ook zij - niet van belang is voor de voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden, aangezien in het onderhavige geval ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit de geluidvoorschriften van de oprichtingsvergunning blijven gelden als nadere eis. Mede gelet hierop is de Voorzitter van oordeel dat deze grond in de bodemprocedure aan de orde dient te komen.
Het vorenstaande in aanmerking nemende, is de Voorzitter van oordeel dat met het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening geen spoedeisend belang is gemoeid.
2.5.    Gelet hierop wijst de Voorzitter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink    w.g. Van Hardeveld
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005
312-399.