ECLI:NL:RVS:2005:AT9691
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van onderhoudsplicht voor watergang Barneveldse beek aan appellanten opgelegd
Het Algemeen Bestuur van het Waterschap Vallei en Eem stelde op 16 oktober 2003 de legger van de Barneveldse beek vast, waarin de onderhoudsplicht voor de watergang 1-20 werd toegewezen aan appellanten. Appellanten betwistten deze toewijzing en verwezen naar een brief uit 1988 waarin zij menen dat het waterschap verantwoordelijk bleef voor het onderhoud en dat er een regeling voor compensatie bestond vanwege eerdere schade.
De Commissie administratieve geschillen van de provincie Gelderland verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, en ook de rechtbank Arnhem bevestigde dit oordeel. Appellanten gingen in hoger beroep bij de Raad van State. Deze oordeelde dat een eventuele afspraak uit 1988 niet zo ver strekt dat het Algemeen Bestuur zijn publiekrechtelijke bevoegdheid om de onderhoudsplicht aan appellanten toe te wijzen, niet zou kunnen uitoefenen.
De Raad van State benadrukte dat het waterschap in de eerste drie jaren zelf het onderhoud uitvoerde, en dat mogelijke compensatiekwesties buiten de bestuursrechterlijke beoordeling vallen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de onderhoudsplicht voor de watergang blijft bij appellanten.