ECLI:NL:RVS:2005:AT9691

Raad van State

Datum uitspraak
20 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200501219/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 WswArt. 8:26 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van onderhoudsplicht voor watergang Barneveldse beek aan appellanten opgelegd

Het Algemeen Bestuur van het Waterschap Vallei en Eem stelde op 16 oktober 2003 de legger van de Barneveldse beek vast, waarin de onderhoudsplicht voor de watergang 1-20 werd toegewezen aan appellanten. Appellanten betwistten deze toewijzing en verwezen naar een brief uit 1988 waarin zij menen dat het waterschap verantwoordelijk bleef voor het onderhoud en dat er een regeling voor compensatie bestond vanwege eerdere schade.

De Commissie administratieve geschillen van de provincie Gelderland verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, en ook de rechtbank Arnhem bevestigde dit oordeel. Appellanten gingen in hoger beroep bij de Raad van State. Deze oordeelde dat een eventuele afspraak uit 1988 niet zo ver strekt dat het Algemeen Bestuur zijn publiekrechtelijke bevoegdheid om de onderhoudsplicht aan appellanten toe te wijzen, niet zou kunnen uitoefenen.

De Raad van State benadrukte dat het waterschap in de eerste drie jaren zelf het onderhoud uitvoerde, en dat mogelijke compensatiekwesties buiten de bestuursrechterlijke beoordeling vallen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de onderhoudsplicht voor de watergang blijft bij appellanten.

Uitspraak

200501219/1.
Datum uitspraak: 20 juli 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], allen wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/ 1213 van de rechtbank Arnhem van 30 december 2004 in het geding tussen:
appellanten
en
de Commissie administratieve geschillen van de provincie Gelderland.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2003 heeft het Algemeen Bestuur van het Waterschap Vallei en Eem (hierna: het algemeen bestuur) de legger Barneveldse beek (hierna: de legger) vastgesteld.
Bij besluit van 14 april 2004 heeft de Commissie administratieve geschillen van de provincie Gelderland (hierna: de commissie) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 december 2004, verzonden op diezelfde datum, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 februari 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 maart 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 5 april 2005 heeft de commissie van antwoord gediend.
Het algemeen bestuur is op de voet van artikel 8:26 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid gesteld aan het geding deel te nemen.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2005, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. J.W. van der Linde, advocaat te Ede, en de commissie, vertegenwoordigd door A. Hager-Hiemstra, werkzaam bij de provincie Gelderland, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet (hierna: de Wsw) stelt het algemeen bestuur de legger vast waarin de onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen worden aangewezen.
2.2.    Het algemeen bestuur heeft in de legger de watergang 1-20 - waaraan de gronden van appellanten zijn gelegen (hierna: de watergang) - aangemerkt als secundaire watergang. Daarmee is de onderhoudsplicht van deze watergang die voorheen op het waterschap rustte, overgegaan op appellanten.
2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat van afspraken over de onderhoudsplicht niet afdoende is gebleken. Zij verwijzen hierbij naar een brief van het waterschap van 19 december 1988, waaruit naar hun mening blijkt dat voor de schade die destijds aan hun gronden is toegebracht doordat er te veel en onjuist is afgegraven, een regeling is getroffen inhoudende dat het waterschap verantwoordelijk is voor het onderhoud aan de watergang. Nu deze schade een voortdurend karakter heeft, dient hier ook een voortdurende financiële compensatie tegenover te staan, aldus appellanten.
2.3.1.    Dit betoog faalt. Voorzover er al sprake is van een in 1988 gemaakte afspraak tussen appellanten en het waterschap over het onderhoud van de watergang strekt deze niet zover, dat het algemeen bestuur in 2003 geen gebruik zou mogen maken van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid op grond van artikel 78, tweede lid, van de Wsw om appellanten met het onderhoud van de watergang te belasten. Dat geldt temeer, nu het waterschap heeft besloten gedurende de eerste drie jaren zelf het onderhoud aan de watergang uit te voeren. Voorzover op grond van de door appellanten gestelde afspraak aanleiding zou bestaan voor een andere vorm van compensatie is het niet aan de bestuursrechter om daarover te oordelen.
2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.
w.g. Polak    w.g. Wilbers-Taselaar
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005
71-465.