AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering tijdelijke bouwvergunning en vrijstelling voor opslagloods
Het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente weigerde op 21 oktober 2003 een tijdelijke bouwvergunning en vrijstelling op grond van artikel 17 WROPro voor de bouw van een tijdelijke opslagloods in strijd met het bestemmingsplan. Het bezwaar tegen dit besluit werd ongegrond verklaard en de rechtbank Almelo verklaarde het beroep daarop eveneens ongegrond.
Appellante stelde dat de tijdelijkheid van de loods duidelijk was, omdat een tijdelijke bouwvergunning voor twee jaar was aangevraagd en overleg hierover had plaatsgevonden. De Raad van State oordeelde echter dat een tijdelijke vrijstelling slechts kan worden verleend indien aannemelijk is dat het bouwwerk niet langer dan vijf jaar zal blijven bestaan. De enkele aanvraag van een tijdelijke vergunning is onvoldoende; er moeten concrete, objectieve gegevens zijn die de tijdelijkheid onderbouwen.
Omdat appellante geen dergelijke gegevens heeft aangeleverd en er ten tijde van de beslissing op bezwaar onvoldoende aanwijzingen waren dat de loods niet langer dan vijf jaar zou blijven, was de weigering van de vrijstelling door het college redelijk. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de tijdelijke bouwvergunning en vrijstelling wordt bevestigd.
Uitspraak
200500536/1.
Datum uitspraak: 20 juli 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak in zaak no. 04/307 van de rechtbank Almelo van 14 december 2004 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: het college) geweigerd vrijstelling als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning te verlenen aan appellante voor de bouw van een tijdelijke opslagloods (hierna: de loods) op het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], no. […], plaatselijk bekend [locatie].
Bij besluit van 30 maart 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 december 2004, verzonden op diezelfde datum, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 14 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 februari 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door H.H.J. Vennegoor, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld. Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet, voorzover hier van belang, wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in artikel 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen. Het derde lid van artikel 15 isPro van overeenkomstige toepassing. Ingevolge artikel 19 vanPro het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 (hierna: BRO) wordt vrijstelling als bedoeld in artikel 17 vanPro de wet slechts verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk voortduren.
2.2. Niet in geschil is dat de bouw van de loods in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Ambt Delden". De aanvraag van appellante om tijdelijke bouwvergunning is door het college mede geacht een verzoek om vrijstelling in de zin van artikel 17, eerste lid, van de WRO in te houden.
2.3. Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de tijdelijkheid van de loods het college vanaf het begin af duidelijk is geweest, omdat voor de loods een tijdelijke bouwvergunning is aangevraagd. Gezien de voorgeschiedenis en het gevoerde overleg was het, volgens appellante, voor het college ook ten aanzien van de vrijstelling duidelijk dat het ging om de bouw van een tijdelijke loods.
2.3.1. Een tijdelijke vrijstelling in de zin van artikel 17, eerste lid, van de WRO in samenhang met artikel 19, eerste lid, van het BRO voor de bouw van de loods, kan slechts worden verleend, indien aannemelijk is dat de loods niet langer dan vijf jaar in stand zal blijven. Het feit dat voor de loods een tijdelijke bouwvergunning is aangevraagd voor twee jaar, is voor het aannemen van tijdelijkheid niet voldoende. Gelet op de jurisprudentie - zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 27 juni 1995, nos. H01.95.0029 en H01.95.0034 (Gst 1996, 7036, 6), 16 juli 2003, no. 200202902/1(JB 2003/238) en 21 januari 2004, no. 200301555/1- moeten er concrete, objectieve gegevens voorhanden zijn die voor de tijdelijkheid aanknopingspunten bieden. Appellante heeft bij haar aanvraag noch in de bezwaarschriftenprocedure desgevraagd gegevens naar voren gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een tijdelijke afwijking. Nu er ten aanzien van de onderhavige loods, ten tijde van de beslissing op bezwaar, onvoldoende concrete, objectieve gegevens voorhanden waren om aan te nemen dat de loods niet langer dan vijf jaar ter plaatse in stand zal blijven, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vrijstelling in de zin van artikel 17, eerste lid, van de WRO te weigeren.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.