ECLI:NL:RVS:2005:AT9719

Raad van State

Datum uitspraak
20 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200500446/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • P. Lodder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk in geschil over kamerverhuur en bouwvergunning

Het college van burgemeester en wethouders van Leusden verzocht appellant om binnen zes weken een aanvraag om een bouwvergunning in te dienen dan wel de verhuur van kamers aan derden te staken. Na bezwaar en een last onder dwangsom handhaafde het college dit besluit. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.

Tijdens de procedure verleende het college een lichte bouwvergunning voor het maken van een verblijfsruimte en het plaatsen van dakkapellen. Het college gaf aan geen dwangsom te zullen innen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de kosten voor de bouwvergunning geen procesbelang opleveren en dat de last onder dwangsom uitsluitend ziet op het beëindigen van het gebruik in strijd met het bestemmingsplan.

Daarom is niet aannemelijk gemaakt dat appellant nog procesbelang heeft bij het hoger beroep, waardoor dit niet-ontvankelijk werd verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

200500446/1.
Datum uitspraak: 20 juli 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nos. SBR 04/2848 en SBR 04/2861 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 8 december 2004 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Leusden.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 6 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leusden (hierna: het college) appellant verzocht om binnen zes weken een aanvraag om een bouwvergunning in te dienen dan wel de verhuur van kamers aan derden te (doen) staken.
Bij besluit van 28 september 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar, voor zover van belang, gegrond verklaard. Het college heeft een nieuwe last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat appellant binnen zes weken na het besluit de kamerverhuur aan derden diende te staken.
Bij uitspraak van 8 december 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 8 april 2005 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2005, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door J. in 't Veld, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Bij besluit van 5 april 2005 is aan appellant een lichte bouwvergunning verleend voor het maken van een verblijfsruimte ten behoeve van kamerverhuur en het plaatsen van dakkapellen op het pand. Bij brief van 8 april 2005 en ter zitting heeft het college aangegeven niet over te gaan tot invordering van de dwangsom.
De door appellant gestelde kosten, namelijk de leges voor de bouwvergunning, leveren in de onderhavige procedure geen procesbelang op, omdat een oordeel van de Afdeling over de aangevallen uitspraak dan wel de beslissing op bezwaar niet kan leiden tot een grond voor vergoeding van die kosten. De last onder dwangsom zoals deze is geformuleerd bij de beslissing op bezwaar heeft uitsluitend betrekking op de beëindiging van het gebruik in strijd met het bestemmingsplan, zodat de Afdeling in haar oordeel niet kan toekomen aan de beantwoording van de vraag of voor de verrichte bouwwerkzaamheden bouwvergunning was vereist. Ook overigens is niet aannemelijk gemaakt dat nog procesbelang aanwezig is.
2.2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk    w.g. Lodder
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005
17-499.