ECLI:NL:RVS:2005:AU0100
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep inzake vaststelling vergoeding rechtsbijstand door Raad voor rechtsbijstand
Appellant sub 1 heeft namens zichzelf en appellant sub 2 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het beroep tegen de vastgestelde vergoeding rechtsbijstand door de Raad voor rechtsbijstand ongegrond verklaarde.
De kern van het geschil betreft de vaststelling van een vergoeding van € 6.035,25 voor rechtsbijstand in drie samenhangende zaken. Appellant sub 1 verzocht tevens om toelating van appellant sub 2 als partij, stellende dat deze als belanghebbende moest worden aangemerkt. Dit verzoek werd door de rechtbank afgewezen en door de Afdeling bevestigd, omdat appellant sub 2 geen beroep had ingesteld binnen de termijn en niet als belanghebbende kon worden aangemerkt nu de civiele procedure waarvoor de toevoegingen waren verstrekt reeds was beëindigd.
Verder stelde appellant sub 1 dat de toegewezen vergoeding niet redelijk was en in strijd met de strekking van de wet. De Afdeling oordeelde dat de Raad voor rechtsbijstand conform artikel 13 van Pro het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 had gehandeld en dat deze bepaling imperatief is, waardoor geen ruimte bestaat voor afwijking ten gunste van appellant.
De Afdeling verklaart het hoger beroep van appellant sub 2 niet-ontvankelijk en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Een proceskostenvergoeding wordt niet toegekend omdat appellant sub 1 alleen voor eigen belangen optrad.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant sub 2 wordt niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd.