ECLI:NL:RVS:2005:AU0101
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering vergoeding rechtsbijstand en niet-ontvankelijkheid hoger beroep belanghebbende
Appellant sub 1 heeft namens zichzelf en namens appellant sub 2 hoger beroep ingesteld tegen de vastgestelde vergoeding voor rechtsbijstand door de Raad voor rechtsbijstand. De Raad had een vergoeding van €1.758,82 vastgesteld voor drie samenhangende zaken.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat appellant sub 2 niet als belanghebbende kan worden aangemerkt omdat de civiele procedure waarvoor de toevoegingen waren verstrekt reeds was beëindigd. Hierdoor kon appellant sub 2 niet als partij worden toegelaten en is het hoger beroep van hem niet-ontvankelijk verklaard.
Verder is geoordeeld dat de wijze van vaststelling van de vergoeding door de Raad niet ter toetsing aan de redelijkheid staat, omdat artikel 13 van Pro het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 imperatief is en geen ruimte laat voor afwijking. Het hoger beroep van appellant sub 1 is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Een verzoek tot proceskostenvergoeding is afgewezen omdat appellant sub 1 alleen voor eigen belangen optrad en niet als beroepsmatige rechtsbijstandverlener voor een derde.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant sub 2 wordt niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.