ECLI:NL:RVS:2005:AU0119

Raad van State

Datum uitspraak
27 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200410665/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Beekhuis
  • W. van Hardeveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verlening revisievergunning voor camping met horecagelegenheid

In deze zaak heeft de stichting "Stichting Heerlijkheid Westerwolde" beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde, waarbij op 2 november 2004 een revisievergunning is verleend voor een camping met horecagelegenheid, campingwinkel en aanverwante sport- en recreatiemogelijkheden. De vergunninghouder is een natuurlijk persoon, maar appellante betoogt dat de vergunning ten onrechte aan deze persoon is verleend en niet aan de camping zelf. Het besluit is op 18 november 2004 ter inzage gelegd, waarna appellante op 27 december 2004 beroep heeft ingesteld bij de Raad van State.

De Raad van State heeft de zaak behandeld op 8 juli 2005. Tijdens de zitting is appellante vertegenwoordigd door haar gemachtigde, H.R. Caderius van Veen. De Raad overweegt dat de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure en de Aanpassingswet uniforme voorbereidingsprocedure op 1 juli 2005 in werking zijn getreden, maar dat het recht zoals dat gold vóór deze datum van toepassing blijft op dit geding.

De Raad van State oordeelt dat appellante niet-ontvankelijk is in haar beroep, omdat zij geen bedenkingen heeft ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. De beroepsgrond dat vergunninghouder in het verleden overtredingen heeft gepleegd, wordt verworpen, omdat deze niet betrekking heeft op de rechtmatigheid van de verleende vergunning. Ook de stelling dat onvoldoende rekening is gehouden met de Ecologische Hoofdstructuur wordt niet gehonoreerd, omdat deze grond primair van planologische aard is. Uiteindelijk verklaart de Raad het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betreft de vergunningverlening aan de natuurlijke persoon en ongegrond voor het overige.

Uitspraak

200410665/1.
Datum uitspraak: 27 juli 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de stichting "Stichting Heerlijkheid Westerwolde", gevestigd te Blijham, gemeente Bellingwedde,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 2 november 2004, kenmerk 3861, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een camping met horecagelegenheid, campingwinkel en aanverwante sport- en recreatiemogelijkheden gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […].
Dit besluit is op 18 november 2004 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 27 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2004, beroep ingesteld.
Bij brief van 17 maart 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door H.R. Caderius van Veen, gemachtigde, is verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 24 juni 2002, Stb. 54) en de Aanpassingswet uniforme voorbereidingsprocedure Awb (wet van 26 mei 2005, Stb. 282) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.
2.2.    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:
a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;
b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;
c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;
d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.
Appellante heeft de grond dat de revisievergunning ten onrechte is verleend aan [vergunninghouder] als natuurlijk persoon en niet aan [Camping] niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.
2.3.    Appellante betoogt dat aan vergunninghouder geen vergunning in het kader van de Wet milieubeheer verleend had mogen worden, gezien de door hem gepleegde overtredingen in het verleden. Appellante vreest dat in de toekomst ook de aan de revisievergunning verbonden voorschriften niet zullen worden nageleefd.
Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.
Wat betreft de verwijzing van appellante naar de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2002, no.
200102641/1overweegt de Afdeling dat anders dan de in die zaak ter beoordeling staande vergunning, de bij het bestreden besluit verleende vergunning geen betrekking heeft op de doelmatige verwijdering van afvalstoffen en dat in het onderhavige geval het nalevingsgedrag van vergunninghouder geen rol speelt bij de beantwoording van de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend.
2.4.    Appellante stelt dat bij het verlenen van de revisievergunning onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat de camping in of direct grenzend aan de Ecologische Hoofdstructuur ligt.
De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond primair betrekking heeft op aspecten van planologische aard. Voorzover deze grond betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer, ziet de Afdeling in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit.
2.5.    Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover dat het ten onrechte verlenen van de revisievergunning aan [vergunninghouder] als natuurlijk persoon en niet aan [Camping], betreft;
II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Beekhuis    w.g. Van Hardeveld
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005
312-493.