ECLI:NL:RVS:2005:AU0135
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- B.J. van Ettekoven
- Ch.W. Mouton
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergunningterrassenbesluit burgemeester Amsterdam ondanks verkeersveiligheidsbedenking
De burgemeester van Amsterdam verleende op 26 maart 2002 een exploitatievergunning voor een terras aan de gevelzijde van een horecabedrijf voor het seizoen 2002. Appellant, woonachtig nabij het horecabedrijf, maakte bezwaar tegen deze vergunningverlening wegens verkeersveiligheidszorgen. De burgemeester verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank Amsterdam bevestigde dit in haar uitspraak van 22 november 2004.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling omdat het hier ging om een jaarlijks terugkerende vergunningverlening. De rechtbank had appellant terecht als belanghebbende aangemerkt.
De Raad van State bevestigde dat de burgemeester vooruitlopend op een nieuw, gunstiger terrassenbeleid, bevoegd was de vergunning te verlenen. De verkeersveiligheid werd beoordeeld aan de hand van rapporten van de verkeerspolitie, die geen aanleiding gaven het besluit te weigeren. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de vergunning voor het terras wordt bevestigd.