ECLI:NL:RVS:2005:AU0390

Raad van State

Datum uitspraak
3 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200501255/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • W. Konijnenbelt
  • H.Ph.J.A.M. Hennekens
  • M.W.L. Simons-Vinckx
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20.1 Wet milieubeheerArt. 10.23 Wet milieubeheerArtikel 4.2.11 Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen locatieaanduiding voor afvalcontainers in Essenburgstraat Rotterdam

Bij besluit van 7 juli 2004 heeft de gemeente Rotterdam locaties aangewezen voor containers voor de inzameling van huishoudelijk afval. Appellant maakte bezwaar tegen de locatie in de Essenburgstraat ter hoogte van nummer [], omdat deze locatie volgens hem te smal is en hinder veroorzaakt. Hij stelde een alternatieve locatie voor met een breder trottoir.

De gemeente verdedigde de locatiekeuze met het argument dat de containers bij de huidige locatie voor een relatief blinde muur staan, waardoor bewoners minder hinder ondervinden dan bij de voorgestelde locatie. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de gemeente zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen en dat de locatiekeuze voldoet aan de criteria.

Het beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt de bevoegdheid van de gemeente om locaties voor afvalcontainers aan te wijzen binnen de kaders van de Wet milieubeheer en de afvalstoffenverordening.

Uitkomst: Het beroep tegen de locatieaanduiding voor afvalcontainers in de Essenburgstraat is ongegrond verklaard.

Uitspraak

200501255/1.
Datum uitspraak: 3 augustus 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2004 heeft verweerder locaties aangewezen voor containers voor de inzameling van huishoudelijk afval.
Bij besluit van 6 januari 2005, kenmerk A.B.2004.2.05642/PvS, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 9 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2005, beroep ingesteld.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2005, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. K.I. Siem en R. van Wilgenburg, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, kan tegen een besluit op grond van deze wet - met uitzondering van een besluit ten aanzien waarvan op grond van deze wet een andere beroepsgang is opengesteld - beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ingevolge artikel 10.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer moet de gemeenteraad in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vaststellen.
In de gemeente Rotterdam is de afvalstoffenverordening opgenomen in paragraaf 2 van hoofdstuk 4 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam. Ingevolge het daarin opgenomen artikel 4.2.11, derde lid, voorzover hier van belang, kan verweerder plaatsen aanwijzen voor inzamelvoorzieningen ten behoeve van groepen percelen. Het aanwijzingsbesluit van 7 juli 2004 is genomen op basis van dit artikel. De grondslag van het aanwijzingsbesluit is derhalve gelegen in de op de Wet milieubeheer gebaseerde afvalstoffenverordening. De Afdeling is daarom bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen.
2.2.    Appellant kan zich niet vinden in de aanwijzing van de Essenburgstraat ter hoogte van nummer […] als locatie voor twee containers voor de inzameling van huishoudelijk afval. Zijn bezwaar is er met name in gelegen dat de containers worden geplaatst in een smal gedeelte van de straat. Volgens appellant kunnen de containers beter worden geplaatst in de Essenburgstraat ter hoogte van nummer […], omdat het trottoir daar breder is en de containers dan minder hinder veroorzaken.
2.3.    Verweerder betoogt dat de containers, in vergelijking met de door appellant voorgestelde locatie, voor een relatief blinde muur staan. Bij plaatsing op de voorgestelde locatie zullen de bewoners van het pand waarvoor de containers worden geplaatst daarom meer hinder ondervinden dan de bewoners van het pand waar de containers nu voor staan. Gelet hierop, en nu de gekozen locatie voldoet aan de daarvoor door verweerder gehanteerde criteria, geeft het bezwaar van appellant verweerder geen aanleiding om de aanwijzing van de Essenburgstraat ter hoogte van nummer […] als locatie voor de twee afvalcontainers te herroepen.
2.4.     De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder zich bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.
2.5.    Het beroep is ongegrond.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt    w.g. Oudenaller
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2005
262-179.