Uitspraak
200305166/1, ongegrond verklaard.
Raad van State
Bij besluit van 21 september 2004 verleende de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat aan Essent Milieu B.V. een vergunning voor het lozen van afvalwater op het Lateraalkanaal Linne-Buggenum en de rivier de Maas. Deze vergunning werd ter inzage gelegd en daarop stelden twee milieuorganisaties beroep in bij de Raad van State.
De appellanten voerden onder meer aan dat het besluit in strijd was met de Algemene wet bestuursrecht, dat de vergunningaanvraag niet gecoördineerd was behandeld met een andere aanvraag, dat strengere lozingsnormen moesten gelden en dat het verwerkingsproces niet was goedgekeurd door bevoegde instanties. De Raad van State oordeelde dat deze gronden onvoldoende waren om het besluit te vernietigen.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat eerdere beroepen op andere besluiten niet relevant waren voor dit besluit, dat er geen wettelijke plicht tot gecoördineerde behandeling bestond, en dat de vergunningaanvraag terecht als uitgangspunt was genomen. Ook werd geoordeeld dat nieuwe gronden die laat in de procedure werden ingebracht niet in strijd mochten zijn met de goede procesorde.
Uiteindelijk verklaarde de Raad van State de beroepen ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Het besluit van de Staatssecretaris bleef daarmee in stand.
Uitkomst: De beroepen tegen de vergunningverlening aan Essent Milieu B.V. zijn ongegrond verklaard.