AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering huursubsidie wegens lagere rekenhuur dan normhuur
Appellante verzocht om huursubsidie over het tijdvak 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002, welke door de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer werd geweigerd. De bezwaarprocedure leidde tot een bevestiging van deze weigering door de Directeur-Generaal Wonen. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit op bezwaar maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
Appellante stelde in hoger beroep dat de Minister onterecht was uitgegaan van een lagere rekenhuur dan de werkelijke huurprijs en beriep zich op het gelijkheidsbeginsel. De Raad van State oordeelde dat de Minister terecht de volgens de verklaring van de voorzitter van de huurcommissie redelijk te achten huurprijs van €161,41 als rekenhuur heeft gehanteerd. Er was geen sprake van een kennelijke verschrijving en appellante kon geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan latere besluiten waarbij de werkelijke huurprijs werd gehanteerd.
De Raad van State bevestigde dat de rekenhuur lager is dan de normhuur van €166,08, waardoor de huur voor rekening van appellante blijft en de huursubsidie terecht is geweigerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat de huursubsidie terecht is geweigerd.
Uitspraak
200410063/1.
Datum uitspraak: 10 augustus 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. SBR 03/2938 van de rechtbank Utrecht van 1 november 2004 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2002 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer geweigerd om appellante een bijdrage krachtens de Huursubsidiewet (hierna: Hsw) toe te kennen over het tijdvak 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002.
Bij besluit van 31 oktober 2003 heeft de Directeur-Generaal Wonen voor de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 november 2004, verzonden op 3 november 2004, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 februari 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 3 maart 2005 heeft de Minister van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2005, waar de Minister, vertegenwoordigd door mr. A.D. Schreutelkamp, ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Hsw, zoals dit luidde ten tijde van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft, wordt onder rekenhuur verstaan de huurprijs die de huurder op de peildatum per maand is verschuldigd of, als dat lager is dan de huurprijs, een bedrag dat gelijk is aan de maximale huurprijsgrens, bedoeld in de krachtens artikel 15, eerste lid, van de Huurprijzenwet woonruimte daarover gestelde regels.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan bij de toepassing van het eerste lid het in de aanhef van dat lid laatstbedoelde bedrag slechts in plaats van de verschuldigde huurprijs in aanmerking worden genomen nadat de huurcommissie, dan wel de voorzitter van de huurcommissie, aan de Minister of aan de huurder advies heeft uitgebracht, dan wel een verklaring heeft verstrekt, over de redelijk te achten huurprijs.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Hsw is de normhuur het gedeelte van de rekenhuur dat ten minste voor rekening van de huurder blijft.
Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Hsw behoort bij het minimum-inkomensijkpunt een normhuur van, ten tijde hier van belang, € 166,08.
2.2. De Minister heeft appellante de huursubsidie geweigerd, omdat de rekenhuur lager is dan de normhuur die voor rekening van appellante dient te blijven. Daarbij heeft de Minister als rekenhuur in aanmerking genomen een volgens de verklaring van de voorzitter van de huurcommissie (hierna: de voorzitter) redelijk te achten huurprijs van € 161,41.
2.3. Anders dan appellante meent, heeft rechtbank terecht overwogen dat uit artikel 5, eerste en tweede lid, van de Hsw volgt dat de Minister bij het vaststellen van de rekenhuur terecht is uitgegaan van de volgens de verklaring van de voorzitter redelijk te achten huurprijs van € 161,41. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in de verklaring vermelde bedrag een kennelijke verschrijving is. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen, dat appellante aan de omstandigheid dat de Minister voor een later tijdvak van de werkelijke huurprijs is uitgegaan niet het gerechtvaardigd kon vertrouwen ontlenen dat ook voor het onderhavige tijdvak van de werkelijke huurprijs moet worden uitgegaan. Dit temeer, nu de Minister het desbetreffende besluit heeft ingetrokken, nadat hem is gebleken dat hij bij dat besluit ten onrechte is uitgegaan van de werkelijke huur. Ten slotte heeft de rechtbank het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel terecht verworpen. Anders dan appellante betoogt, kon zij in het kader van dit beroep niet volstaan met de enkele stelling dat in gelijke gevallen in hetzelfde appartementenblok wel huursubsidie is verstrekt.
2.3.1. Nu de rekenhuur als bedoeld in artikel 5 vanPro de Hsw lager is dan de in artikel 17, tweede lid, van de Hsw vermelde normhuur, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de Minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de huur ingevolge artikel 16 vanPro de Hsw voor rekening van appellante moet blijven. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bij haar bestreden besluit dan ook terecht in stand gelaten.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.