ECLI:NL:RVS:2005:AU1389
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- C.H.M. van Altena
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ontheffing voor carport wegens herhaalde aanvraag en ontbreken nieuwe feiten
Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland weigerde appellant ontheffing voor het hebben van een carport op zijn perceel. Appellant stelde dat zijn aanvraag niet herhaald was omdat de carport kleiner en op een andere locatie zou komen. De rechtbank oordeelde echter dat beide aanvragen in essentie gelijk zijn en dat de verschillen niet essentieel zijn.
Appellant voerde aan dat er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren, zoals begroeiing die de carport aan het zicht zou onttrekken, en dat het college niet handhavend optreedt tegen vergelijkbare carports in de buurt, wat zou leiden tot schending van het gelijkheidsbeginsel. De Raad van State verwierp deze argumenten omdat de eerdere weigering niet alleen gebaseerd was op zichtbaarheid maar ook op ecologische en cultuurhistorische waarden, en omdat de situaties niet als gelijk konden worden beschouwd.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank dat sprake is van een herhaalde aanvraag zonder nieuwe feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel leiden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het verzoek tot matiging van griffierecht werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van ontheffing bevestigd.