Uitspraak
200503766/1stelt dat de activiteit niet langer wordt gedoogd, omdat er geen rechtvaardiging is voor de aanzienlijke afwijkingen van de in de Circulaire schietlawaai aanbevolen grenswaarden voor het rating sound level, voert verzoekster aan dat een gedoogverklaring voor deze activiteit mogelijk wel aanvaardbaar is indien in de voorwaarden strengere geluidgrenswaarden voor het rating sound level worden voorgeschreven dan in de gedoogverklaring van 31 maart 2005. Verzoekster acht het bestreden besluit strijdig met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, nu verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op de hoogte was van het feit dat zij op dat moment onderzoek liet verrichten naar de mogelijkheden om aan een lagere geluidnormstelling te voldoen.
200506472/1afgewezen. Wat de gedoogverklaring van 8 maart 2001 betreft, overweegt de Voorzitter als volgt. Een gedoogverklaring leidt naar haar aard niet tot een duurzaam beletsel van handhavend optreden. De Voorzitter overweegt dat de gedoogverklaring reeds jaren terug is afgegeven en verweerder, ook al voor het besluit van 12 juli 2005, te kennen heeft gegeven niet meer achter deze gedoogverklaring te staan, in welk kader hij ook een nieuw gedoogbesluit heeft genomen. Dat dit nieuwe gedoogbesluit bij bovengenoemde uitspraak van de Voorzitter van 7 juli 2005 is geschorst doet hieraan niets af. Gelet op het bovenstaande en gezien de omstandigheid dat in de gedoogverklaring van 8 maart 2001 geen enkele geluidgrenswaarde is opgenomen, vormt deze gedoogverklaring geen bijzondere omstandigheid die verweerder thans aanleiding zou moeten geven om af te zien van handhavend optreden. Dat het wellicht mogelijk is een gedoogverklaring af te geven met strengere geluidgrenswaarden dan in de gedoogverklaring van 31 maart 2005 vormt evenmin een dergelijke bijzondere omstandigheid.