Uitspraak
200404519/1dat de omstandigheid dat een gedeelte van het terrein positief is bestemd tot kampeerterrein niet met zich brengt dat ook het overige gedeelte is aangewezen als kampeerterrein in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wor. Aangezien vast is komen te staan dat ten tijde van belang aan het desbetreffende gedeelte van het terrein niet een uitdrukkelijke, positieve bestemming tot kamperen is gegeven stond artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wor er dan ook aan in de weg om voor dat deel van het terrein de door appellante verzochte vergunning te verlenen. Nu het college voor dit deel van het terrein geen vergunning mocht verlenen, kon het college in het voorliggende geval niet toekomen aan het verrichten van een belangenafweging.