ECLI:NL:RVS:2005:AU2152
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing containervergunning voor standplaatsen aan Herman Costerstraat in Den Haag
Appellante verzocht het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om toestemming voor het plaatsen van een container achter haar standplaatsen 417 en 418 op de markt aan de Herman Costerstraat. Dit verzoek werd op 12 september 2002 afgewezen en het bezwaar daarop ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond.
Appellante stelde in hoger beroep dat het beleid van het college onredelijk en discriminerend is, omdat marktkooplieden elders op de markt wel containervergunningen krijgen, wat leidt tot rechtsongelijkheid en extra kosten voor haar. De Raad van State oordeelde dat het beleid niet kennelijk onredelijk is, omdat de Herman Costerstraat een bijzondere locatie is waar omwonenden van dichtbij zicht hebben op de markt en containers daar meer visuele hinder veroorzaken.
Voorts stelde appellante dat het beleid niet consequent wordt toegepast, omdat sommige marktkooplieden aan de Herman Costerstraat wel een vergunning kregen. De Raad van State stelde vast dat deze uitzonderingen golden voor viskramen vanwege specifieke wettelijke en milieutechnische verplichtingen, en dat appellante als textielverkoper hier niet op kan worden gelijkgesteld.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van haar containervergunning bevestigd.