AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestemmingsplan Postweide 2-2004 gemeente Woudrichem
De gemeenteraad van Woudrichem stelde op 25 oktober 2004 het bestemmingsplan 'Postweide 2-2004' vast, gericht op de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk met bastionvormige elementen. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant gaf op 24 mei 2005 goedkeuring aan dit plan. Verzoekers, bewoners uit de omgeving, dienden op 1 juli 2005 beroep in tegen deze goedkeuring en verzochten om een voorlopige voorziening.
De Voorzitter behandelde het verzoek op 6 september 2005 en hoorde alle betrokken partijen. Verzoekers maakten bezwaar tegen de aansluiting van een pad op een groenstrook, de bebouwingsmogelijkheden in het oostelijke deel en de bastionvormige elementen, die volgens hen het karakter en uitzicht van de omgeving negatief beïnvloeden. Tevens stelden zij dat er alternatieven voor woningbouw in de oostelijke strook bestaan.
De Voorzitter oordeelde dat het verzoek geen spoedeisend belang had, omdat de aansluiting van het pad niet gerealiseerd wordt voor de bodemprocedure is afgerond. Verder werd geoordeeld dat de wijziging van het gebiedsbeeld door bebouwing redelijk is gezien het belang van woningbouw. De bastionvormige elementen zijn gescheiden door water en groenstroken, waardoor het weidse karakter niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Ook het uitzicht van omwonenden wordt niet ernstig beperkt. Het bestaan van alternatieven vormt geen grond voor het onthouden van goedkeuring. Daarom wees de Voorzitter het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de goedkeuring van het bestemmingsplan is afgewezen.
Uitspraak
200505853/2.
Datum uitspraak: 23 september 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te Woudrichem, en anderen,
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 oktober 2004 heeft de gemeenteraad van Woudrichem, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 oktober 2004, het bestemmingsplan "Postweide 2-2004" vastgesteld.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 24 mei 2005, no. 1045924, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 1 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 2005, beroep ingesteld. Bij deze brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 september 2005, waar verzoekers, bij monde van [verzoeker], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G.C. Toenbreker, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Woudrichem, vertegenwoordigd door T.J.A. van Tilburg, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op het geding van toepassing blijft.
2.3. Met het plan wordt beoogd de bouw van een nieuwe woonwijk "Postweide 2" mogelijk te maken, inclusief drie zogenoemde bastion- of kasteelachtige vormelementen.
2.4. Verzoekers kunnen zich niet verenigen met de aansluiting tussen het in het plan voorziene pad langs de waterpartijen en de groenstrook achter de woningen aan de Eikenlaan. Indien, zoals verweerder stelt, maar weinig gebruik zal worden gemaakt van het pad, ontbreekt volgens verzoekers de noodzaak van deze aansluiting. Verzoekers vrezen echter voor intensief gebruik van het pad, hetgeen overlast met zich zal brengen.
Verder kunnen zij zich niet verenigen met de bebouwingsmogelijkheden in het oostelijke deel van het plangebied, die zijn ontstaan door verschuiving van de plangrens in oostelijke richting. Verzoekers betogen dat hierdoor het karakter van de omgeving zal wijzigen, hetgeen zij ongewenst achten.
Verder doen de zogenoemde bastion- of kasteelachtige vormelementen afbreuk aan het weidse karakter van de omgeving en tasten deze elementen het uitzicht van omwonenden aan.
Tevens stellen verzoekers dat voor woningbouw in de oostelijke strook voldoende alternatieven bestaan.
2.5. Verweerder heeft geen aanleiding gezien in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden.
2.6. De gemeenteraad heeft ter zitting verklaard dat de aansluiting tussen het in het plan voorziene pad en de groenstrook achter de woningen aan de Eikenlaan niet zal worden gerealiseerd voordat een uitspraak in de bodemprocedure is gedaan. Met dit onderdeel van het verzoek is derhalve geen spoedeisend belang gediend.
In aanmerking genomen dat het plangebied grotendeels agrarisch in gebruik is, staat vast dat het karakter van het plangebied, waaronder ook het oostelijke deel en de plaats waar de vormelementen zijn voorzien, zal wijzigen. Gezien het belang dat is gediend met woningbouw is de Voorzitter echter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bebouwing ter plaatse niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het gebied.
In het noorden grenst het plangebied aan de [locatie] en aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door een waterpartij en een weg. Het plangebied grenst aan de oostelijke zijde aan het buitengebied van Woudrichem. Wat betreft de aan deze zijde voorziene vormelementen overweegt de Voorzitter dat deze van het buitengebied worden gescheiden door een brede waterpartij en een groenstrook. De Voorzitter heeft dan ook niet de verwachting dat het standpunt van verweerder dat deze vormelementen geen ernstige inbreuk maken op het weidse karakter van de omgeving, in de bodemprocedure onredelijk zal worden geacht.
Het plan voorziet ook ten noorden van het plangebied in een groenstrook en een brede waterpartij. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de kortste afstand tussen de woningen in [locatie] en het meest dichtbijgelegen vormelement ongeveer 65 meter bedraagt, is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitzicht van omwonenden niet ernstig zal worden aangetast.
Ten aanzien van de door verzoekers aangedragen alternatieven overweegt de Voorzitter dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Naar het oordeel van de Voorzitter heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.