Uitspraak
200406209/1.
Raad van State
In deze bestuursrechtelijke zaak verzocht de verzoeker om herziening van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 16 maart 2005, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Middelburg ongegrond was verklaard. Het verzoek tot herziening werd ingediend op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Afdeling overwoog dat herziening slechts mogelijk is indien sprake is van feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, bij de verzoeker niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die bij eerdere bekendheid tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. De Afdeling benadrukte dat herziening een buitengewoon rechtsmiddel is, bedoeld om onjuist gebleken feitelijke uitgangspunten te corrigeren, en niet om het debat te heropenen over reeds beoordeelde feiten of rechtsopvattingen.
Het verzoek van de verzoeker faalde omdat de aangevoerde gronden niet voldeden aan de criteria van artikel 8:88 Awb Pro. Ook het raadsbesluit van 16 december 2004, dat na de uitspraak was gepubliceerd, kon niet als grond voor herziening dienen omdat het besluit tijdig bekend had kunnen zijn in de procedure. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wees het verzoek tot herziening af en bevestigde daarmee de eerdere uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de bestuursrechtelijke uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.