ECLI:NL:RVS:2005:AU3758
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- J.M. Boll
- W.S. van Helvoort
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vergunning opslag en verwerking afvalstoffen
Bij besluit van 21 juni 2005 verleende het college van gedeputeerde staten van Groningen een vergunning aan een vergunninghoudster voor de op- en overslag en het be- en verwerken van primaire en secundaire bouwstoffen en afvalstoffen op een perceel te Groningen. Verzoeksters, twee besloten vennootschappen, stelden beroep in tegen dit besluit en vroegen om een voorlopige voorziening.
De Voorzitter behandelde het verzoek op 13 september 2005. Verzoeksters voerden aan dat de vergunning onvoldoende duidelijkheid gaf over de maximale opslaghoeveelheden van teerhoudend asfaltgranulaat en sterk verontreinigde grond, en dat de opslagcapaciteit niet doelmatig was. Tevens werd aangevoerd dat onvoldoende financiële zekerheid was gesteld en dat de tarieven daarvoor te laag waren.
De Voorzitter oordeelde dat het verzoek een voorlopig karakter heeft en niet bindend is voor de bodemprocedure. Het overgangsrecht bepaalde dat het oude recht van toepassing bleef. De Voorzitter achtte de vergunningverlening redelijk en vond geen aanleiding om de vergunning op deze punten te weigeren. De opslagcapaciteit was voldoende gespecificeerd in de aanvraag die onderdeel uitmaakt van de vergunning. Over de financiële zekerheid werd geoordeeld dat dit in de bodemprocedure nader moet worden beoordeeld en dat geen onverwijlde spoed bestond voor een voorlopige voorziening.
Gelet hierop wees de Voorzitter het verzoek om een voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 26 september 2005 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de vergunning voor opslag en verwerking van afvalstoffen wordt afgewezen wegens ontbreken van onverwijlde spoed.