AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bouwvergunning stadswoningen te Hasselt
Het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland verleende op 25 mei en 10 juni 2004 een vrijstelling en bouwvergunning voor drie stadswoningen op een perceel te Hasselt. Hiertegen maakte een derde bezwaar, dat het college op 12 oktober 2004 ongegrond verklaarde. De rechtbank Zwolle-Lelystad verklaarde het beroep van deze derde gegrond, vernietigde het besluit op bezwaar en schorste de vergunningen tot zes weken na een nieuw besluit.
Verzoekster stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om de schorsing op te heffen, zodat zij kon starten met bouwen. De Voorzitter behandelde het verzoek en overwoog dat de rechtbank terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot voorlopige voorziening, ook zonder een daartoe strekkend verzoek.
De Voorzitter constateerde dat onvoldoende zekerheid bestaat dat de rechtbank onjuist heeft geoordeeld over de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan, met name over de vrijstaande woning aan de Eikenlaan, en dat de voorlopige voorzieningsprocedure niet geschikt is om de planologische beoordeling te herzien. Daarom wees de Voorzitter het verzoek af en veroordeelde partijen niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de schorsing van de bouwvergunningen wordt afgewezen.
Uitspraak
200507226/2.
Datum uitspraak: 13 oktober 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoekster], gevestigd te [plaats], om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van:
1. [verzoekster], gevestigd te [plaats],
2. het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1490 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 juni 2005 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te [woonplaats]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland.
1. Procesverloop
Bij besluiten van 25 mei 2004 en 10 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland (hierna: het college) aan verzoekster vrijstelling respectievelijk bouwvergunning verleend voor het bouwen van drie stadswoningen op het perceel, plaatselijk bekend Gasthuisstraat-Eikenlaan te Hasselt (hierna: het perceel).
Bij besluit van 12 oktober 2004 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 juni 2005, verzonden op 8 juli 2005, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak en de besluiten van 25 mei 2004 en 10 juni 2004 geschorst tot zes weken na verzending van het nieuwe besluit op bezwaar.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekster bij brief van 16 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2005, en het college bij brief van 17 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2005, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 30 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 september 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. E.M. Vos, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door ing. H. Groeneveld, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [wederpartij], in de persoon van [gemachtigde], bijgestaan door mr. S. Maakal, advocaat te Heerenveen, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Verzoekster heeft de Voorzitter verzocht om de door de rechtbank getroffen voorlopige voorziening op te heffen, opdat zij gebruik kan maken van de op 10 juni 2004 aan haar verleende bouwvergunning.
2.2.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan, in het bijzonder wat de vrijstaande woning aan de Eikenlaan betreft, niet voldoet aan hetgeen artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in dit geval verlangt. Om deze reden heeft zij de beslissing op bezwaar van 12 oktober 2004 vernietigd en de primaire besluiten van 25 mei 2004 en 10 juni 2004 geschorst.
2.2.2. Verzoekster kan niet worden gevolgd in haar betoog dat de rechtbank niet van haar bevoegdheid tot het treffen van een voorlopige voorziening gebruik had mogen maken nu daarom niet is verzocht en die mogelijkheid niet uitdrukkelijk door de rechtbank aan de orde is gesteld. Toepassing van die bevoegdheid vereist niet een daartoe strekkend verzoek. De enkele omstandigheid dat de rechtbank partijen niet heeft gewezen op de mogelijkheid van het treffen van een voorlopige voorziening, biedt onvoldoende grond voor het treffen van de thans gevraagde voorziening. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat verzoekster haar belangen bij een spoedige aanvang van de bouwactiviteiten in deze procedure naar voren heeft gebracht en heeft kunnen toelichten.
2.2.3. Er bestaat thans onvoldoende zekerheid dat de Afdeling tot de conclusie zal komen dat de rechtbank het besluit van 12 oktober 2004 ten onrechte heeft vernietigd. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat het betoog van verzoekster dat de rechtbank, op basis van een onjuiste uitleg van het bestemmingsplan "Hasselt binnen de Veste", ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan een ernstige inbreuk op het geldende planologische regime maakt, er onder meer toe noopt dat wordt bezien of, zoals verzoekster stelt, verdichting van de gevelwand aan de Eikenlaan in overeenstemming kan worden geacht met de door de planwetgever beoogde bebouwingsstructuur. De voorlopige voorzieningsprocedure leent zich hier naar het oordeel van de Voorzitter niet voor.
2.3. Gelet op het voorgaande, bestaat geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. van den Ende, ambtenaar van Staat.