ECLI:NL:RVS:2005:AU4606

Raad van State

Datum uitspraak
19 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200504483/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • P.A. Offers
  • W. van den Brink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing handhavingsverzoek tegen gebouwde tuinmuur met geldige bouwvergunning

Appellanten verzochten het college van burgemeester en wethouders van Beek om handhavend op te treden tegen een door een vergunninghouder gebouwde tuinmuur op een perceel te Beek. Het college wees dit verzoek bij besluit van 29 maart 2004 af. Na een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij de rechtbank Maastricht, stelde appellanten hoger beroep in bij de Raad van State.

De kern van het geschil betrof de vraag of het college bevoegd was handhavend op te treden tegen de tuinmuur. De bouwvergunning voor de tuinmuur was op 15 september 2003 verleend en was van kracht ten tijde van de beslissing op bezwaar. De tuinmuur was gebouwd conform deze vergunning. Hoewel appellanten stelden dat de muur in strijd was met het bestemmingsplan en dat er in 2003 nog geen vergunning was, oordeelde de Raad dat er geen sprake was van een illegale situatie ten tijde van het handhavingsverzoek.

De rechtbank had daarom terecht geoordeeld dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden. Het feit dat de bouwvergunning later werd vernietigd, maakte dit niet anders. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200504483/1.
Datum uitspraak: 19 oktober 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1466 GEMWT van de rechtbank Maastricht van 29 april 2005 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Beek.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 29 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beek (hierna: het college) het verzoek van appellanten om handhavend op te treden tegen een door [vergunninghouder] gebouwde tuinmuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.
Bij besluit van 17 augustus 2004 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 april 2005, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 23 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 21 juni 2005 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2005, waar [gemachtigden], bijgestaan door mr. Ph.W.A.M van Roy en mr. E.M.J.C. Clerx, advocaten te Beek, en het college, vertegenwoordigd door P. Alberts, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    In geding is de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college ten tijde van de beslissing op bezwaar niet bevoegd was ten aanzien van de tuinmuur handhavende maatregelen te treffen.
2.2.    Bij besluit van 15 september 2003 heeft het college bouwvergunning verleend voor een tuinmuur op het perceel. Deze vergunning was van kracht ten tijde van de beslissing op bezwaar inzake het handhavingsverzoek. Ter zitting is niet betwist dat de tuinmuur is gebouwd overeenkomstig deze bouwvergunning. Dat, naar appellanten stellen, in 2003 voor de tuinmuur nog geen bouwvergunning was verleend en dat de hoogte van de gebouwde tuinmuur, naar zij betogen, in strijd is met het bestemmingsplan, laat onverlet dat ten tijde van de beslissing op bezwaar geen sprake was van een illegale situatie. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college destijds niet bevoegd was handhavend op te treden. Dat de beslissing op bezwaar inzake de bouwvergunning bij uitspraak van heden, in zaak nummer
200410290/1, is vernietigd, maakt dat niet anders.
2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk    w.g. Boermans
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2005
429.