Uitspraak
200410290/1, is vernietigd, maakt dat niet anders.
Raad van State
Appellanten verzochten het college van burgemeester en wethouders van Beek om handhavend op te treden tegen een door een vergunninghouder gebouwde tuinmuur op een perceel te Beek. Het college wees dit verzoek bij besluit van 29 maart 2004 af. Na een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij de rechtbank Maastricht, stelde appellanten hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of het college bevoegd was handhavend op te treden tegen de tuinmuur. De bouwvergunning voor de tuinmuur was op 15 september 2003 verleend en was van kracht ten tijde van de beslissing op bezwaar. De tuinmuur was gebouwd conform deze vergunning. Hoewel appellanten stelden dat de muur in strijd was met het bestemmingsplan en dat er in 2003 nog geen vergunning was, oordeelde de Raad dat er geen sprake was van een illegale situatie ten tijde van het handhavingsverzoek.
De rechtbank had daarom terecht geoordeeld dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden. Het feit dat de bouwvergunning later werd vernietigd, maakte dit niet anders. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.