AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening tegen vaststelling bestemmingsplan Oosterholt-Noord te Kampen
De gemeenteraad van Kampen stelde op 16 december 2004 het bestemmingsplan "Oosterholt-Noord" vast, dat voorziet in de bouw van circa 240 woningen aan de oostkant van IJsselmuiden. Verzoekers stelden beroep in tegen het besluit en verzochten om voorlopige voorzieningen. Verzoekers sub 1 voerden aan dat de goedkeuring ten onrechte werd verleend binnen de hindercirkel van hun agrarisch bedrijf en dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar luchtkwaliteit. Verzoekster sub 2 stelde dat het cultuurhistorische gebied onterecht wordt bebouwd en wees op het Belvedèrebeleid.
De Voorzitter overwoog dat het overgangsrecht van toepassing is en dat het oordeel een voorlopig karakter heeft. De gemeenteraad en verweerder stelden dat het plan past binnen het woningbouwprogramma en dat de luchtkwaliteit geen overschrijding van grenswaarden zal veroorzaken. Tevens is het plangebied buiten de kernkwaliteiten van het Belvedèregebied gelegen. Het noordelijk deel van het plangebied, dat binnen de hindercirkel ligt, zal niet worden uitgevoerd zolang het onderzoek loopt.
De Voorzitter concludeerde dat er onvoldoende spoedeisend belang bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening, omdat het plan voorziet in een algemeen volkshuisvestingsbelang en het Belvedèrebeleid geen belemmering vormt. Daarom werden de verzoeken afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening tegen het bestemmingsplan Oosterholt-Noord worden afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.
Uitspraak
200506403/2.
Datum uitspraak: 18 oktober 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
1. [verzoekers sub 1], wonend te [woonplaats],
2. [verzoekster sub 2], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 december 2004 heeft de gemeenteraad van Kampen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 november 2004, het bestemmingsplan "Oosterholt-Noord" vastgesteld.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 24 mei 2005, no. RWB/2005/20, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers sub 1] bij brief van 26 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2005, en [verzoekster sub 2] bij brief van 25 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2005, beroep ingesteld.
Bij brief van 26 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2005, hebben [verzoekers sub 1] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 25 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2005, heeft [verzoekster sub 2] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 6 oktober 2005, waar [verzoekers sub 1], vertegenwoordigd door mr. S. Maakal, advocaat te Heerenveen, en [verzoekster sub 2] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door T. Drint, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts is de gemeenteraad van Kampen, vertegenwoordigd door H. Verweij, ambtenaar van de gemeente, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.
2.2. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.3. Het plan voorziet in de bouw van ongeveer 240 woningen aan de oostkant van de kern IJsselmuiden. Aan de noordkant van het plangebied, aan de [locatie 1], ligt het agrarische bedrijf van [verzoekers sub 1]. [verzoekster sub 2] woont aan de zuidkant van het plangebied aan de [locatie 2].
Verweerder heeft het plan goedgekeurd.
2.4. [verzoekers sub 1] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woonhuizen -Wh-" voorzover dit de bouw van woningen mogelijk maakt binnen de door hen gestelde omvang van de hindercirkel van hun bedrijf van 245 meter, en verzoeken in zoverre schorsing van het plan. Zij voeren hiertoe onder meer aan dat het bouwblok op hun perceel ten onrechte is verschoven en dat is uitgegaan van een onjuiste omvang van de hindercirkel. Voorts is naar hun stelling ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit, hetgeen zij in strijd met het Besluit Luchtkwaliteit 2005 achten.
[verzoekster sub 2] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan en verzoekt schorsing hiervan.
Hiertoe voert zij onder meer aan dat het cultuurhistorische gebied Oosterholt-Noord ten onrechte wordt bebouwd, terwijl er al voldoende plannen zijn die voorzien in woningbouw. In dit verband wijst verzoekster er op dat het gebied is aangewezen als Belvedèregebied op grond van de rijksnota Belvedère.
2.5. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het goedgekeurd.
De gemeenteraad heeft onder meer uiteengezet dat met de uitvoering van het plan, dat deel uitmaakt van het woningbouwprogramma van de gemeente Kampen, een volkshuisvestelijk belang is gemoeid en dat de als 'Belvedèregebied' aangemerkte polder Mastenbroek door de provincie in samenwerking met de betrokken gemeenten nader is uitgewerkt in de ruimtelijke ontwikkelingsvisie 'Weidsheid voor de toekomst'. De kenmerkende kwaliteiten van de Mastenbroekpolder hebben met name betrekking op de weidsheid en de gridstructuur van dit gebied, welke kenmerken een natuurlijke begrenzing hebben binnen dit gebied. Het plangebied is volledig buiten deze specifieke gebiedsstructuur gebleven. Ten aanzien van de luchtkwaliteit heeft de gemeenteraad opgemerkt dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan niet de verwachting was dat dit bestemmingsplan gevolgen voor de luchtkwaliteit ter plaatse zou meebrengen, mede gelet op een VROM-studie uit 2004 naar de situatie op dit punt in verschillende gemeenten, waaronder de gemeente Kampen. Inmiddels is door het onderzoeksbureau BVA een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. Uit het terzake opgemaakte rapport blijkt dat de verwachting juist was en dat de uitvoering van dit bestemmingsplan niet zal leiden tot enige overschrijding van de voor de luchtkwaliteit geldende grenswaarden, aldus de gemeenteraad.
2.6. Ter zitting heeft de gemeenteraad verklaard dat hangende het onderzoek in de hoofdzaak het noordelijk deel van het plangebied, waarbinnen de hindercirkel van 245 meter, zoals deze volgens [verzoekers sub 1] voor hun bedrijf in acht had moeten worden genomen, is gelegen, niet in uitvoering zal worden genomen. Gelet hierop bestaat er in zoverre geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Het verzoek van [verzoekers sub 1] komt geheel niet en het verzoek van [verzoekster sub 2] in zoverre niet voor inwilliging in aanmerking.
2.7. Wat betreft het verzoek van [verzoekster sub 2] voor het overige deel van het plangebied, overweegt de Voorzitter dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het plan als onderdeel van de woningbouwopgave voor het stedelijk netwerk Zwolle-Kampen voorziet in een behoefte aan woningen en dat daarmee een spoedeisend, algemeen volkshuisvestingsbelang is gediend. Verder heeft verweerder voldoende toegelicht dat het rijksbeleid 'Belvedère' voor de Polder Mastenbroek in de provinciale, ruimtelijke ontwikkelingsvisie "Weidsheid voor de toekomst" nader is begrensd en geen belemmering behoeft te vormen voor de uitvoering van het onderhavige bestemmingsplan. Ook hetgeen verzoekster overigens heeft aangevoerd, heeft de Voorzitter er niet van overtuigd dat het goedkeuringsbesluit in de hoofdzaak op de door haar aangevoerde gronden zal worden vernietigd. Onder deze omstandigheden bestaat er onvoldoende spoedeisend belang voor inwilliging van het verzoek.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst de verzoeken af.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.