Uitspraak
200300985/1heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak naar de rechtbank teruggewezen.
Raad van State
Appellanten verzochten de Minister van Verkeer en Waterstaat om nadeelcompensatie wegens een sterke afname van de garnalenvangst in 1997 en 1998, veroorzaakt door intensivering van bagger- en stortwerkzaamheden in de Westerschelde. De Minister wees het verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Middelburg vernietigde dit besluit en bepaalde dat de Minister een nieuw besluit moest nemen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde vervolgens de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug.
Bij de hernieuwde beoordeling verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden bij de Raad van State. De Raad oordeelde dat de commissie, ingesteld op grond van de Regeling Nadeelcompensatie Rijkswaterstaat 1991, onafhankelijk en deskundig was en dat het advies waarin werd geconcludeerd dat er geen aantoonbare relatie bestaat tussen de werkzaamheden en de schade aan de garnalenstand, terecht aan het besluit ten grondslag lag.
De commissie baseerde haar oordeel op uitgebreide gegevens van appellanten, het Rijksinstituut voor Visserij Onderzoek en visafslagen Breskens en Stellendam, waarbij zij aannam dat deze tot één garnalenpopulatie behoren. Appellanten konden niet aannemelijk maken dat deze methodiek onjuist was of dat het niet betrekken van Belgische visafslagen het oordeel onjuist maakte. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie wordt bevestigd.