ECLI:NL:RVS:2005:AU4989

Raad van State

Datum uitspraak
26 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200502342/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. van den Brink
  • B. Klein Nulent
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1.2 Bouwverordening gemeente ZaltbommelArt. 8.1.6 Bouwverordening gemeente Zaltbommel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vergunning sloop brandweergarage ondanks bezwaren over veiligheid en asbest

Het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel verleende op 2 maart 2004 een vergunning voor het slopen van een brandweergarage op een perceel te Zaltbommel. Appellanten maakten bezwaar tegen deze vergunning, onder meer vanwege mogelijke aanwezigheid van asbest en onvoldoende waarborging van veiligheid tijdens de sloop. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank Arnhem bevestigde dit in haar uitspraak van 27 januari 2005.

Appellanten stelden hoger beroep in bij de Raad van State. Zij voerden aan dat niet was voldaan aan de vereisten van de Bouwverordening, met name artikel 8.1.2 over asbest en artikel 8.1.6 over veiligheid en bescherming van nabijgelegen gebouwen. De Raad van State oordeelde dat het asbestbezwaar niet tijdig was ingebracht bij de rechtbank en daarom buiten beschouwing bleef. Het betoog over veiligheid faalde omdat het college voldoende voorschriften had gesteld die de veiligheid en bescherming waarborgden.

De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee bleef de verleende sloopvergunning in stand, ondanks de bezwaren van appellanten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergunning voor het slopen van de brandweergarage blijft in stand.

Uitspraak

200502342/1.
Datum uitspraak: 26 oktober 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats], gemeente Zaltbommel,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1833 van de rechtbank Arnhem van 27 januari 2005 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 2 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel (hierna: het college) vergunning verleend voor het slopen van een brandweergarage op het perceel [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 8 juni 2004 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 januari 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 8 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op 10 maart 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 april 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 19 mei 2005 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2005, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. J.H. Hartman, en het college, vertegenwoordigd door L.C.A. Theunisse, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Appellanten betogen eerst in hoger beroep dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 8.1.2, derde en vierde lid, van de Bouwverordening van de gemeente Zaltbommel (hierna: de Bouwverordening), in verband met het mogelijk in het pand aanwezig zijn van asbest. Dit betoog vindt geen grondslag in het beroepschrift dat appellanten bij de rechtbank hebben ingediend. Niet is gebleken dat appellanten dit standpunt redelijkerwijs niet reeds bij de rechtbank naar voren hadden kunnen brengen. Derhalve laat de Afdeling dit betoog buiten beschouwing.
2.2.    Het betoog van appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de sloopvergunning terecht in bezwaar in stand is gebleven, omdat er volgens hen sprake is van strijdigheid met artikel 8.1.6, onder a en b, van de Bouwverordening, faalt. Door het college is aangegeven dat er voorschriften in de sloopvergunning zijn opgenomen en dat daarmee de veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen gebouwen voldoende zijn gewaarborgd. De rechtbank heeft terecht in de enkele stelling van appellanten dat deze veiligheid en bescherming onvoldoende zijn gewaarborgd geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de door het college gestelde voorwaarden niet een voldoende mate van bescherming bieden.
De rechtbank is voorts voldoende gemotiveerd ingegaan op hetgeen appellanten overigens in beroep hebben aangevoerd.
2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink    w.g. Klein Nulent
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2005
218-444.