ECLI:NL:RVS:2005:AU5109

Raad van State

Datum uitspraak
13 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200507313/3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling gemeente Brummen tot vergoeding proceskosten na intrekking voorlopige voorziening

Verzoeker stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zutphen en vroeg tegelijkertijd een voorlopige voorziening bij de Raad van State. Kort daarna trok verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening in, omdat het college van burgemeester en wethouders van Brummen het dwangsombesluit had verlengd, wat als gedeeltelijk tegemoetkomen werd beschouwd.

Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht kan bij intrekking van een verzoek om voorlopige voorziening het bestuursorgaan worden veroordeeld tot vergoeding van proceskosten indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de verzoeker is tegemoetgekomen. De Voorzitter oordeelde dat het verlengen van de begunstigingstermijn van het dwangsombesluit een zodanige gedeeltelijke tegemoetkoming vormde.

De Voorzitter bepaalde dat het verzoek om proceskostenveroordeling kennelijk gegrond was en veroordeelde het college van burgemeester en wethouders van Brummen tot betaling van €322,- aan proceskosten, toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand door een derde partij.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 13 oktober 2005 door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, in aanwezigheid van mr. S.H. van den Ende, ambtenaar van Staat.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Brummen is veroordeeld tot betaling van €322 aan proceskosten na gedeeltelijke tegemoetkoming en intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

200507313/3.
Datum uitspraak: 13 oktober 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van:
[verzoeker], wonend te woonplaats],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht).
1. Procesverloop
Bij brief van 19 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoeker hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 11 juli 2005. Bij brief van 19 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 2 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoeker het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken en de Voorzitter verzocht het college van burgemeester en wethouders van Brummen te veroordelen in de door hem opgekomen proceskosten.
Bij brief van 20 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brummen een verweerschrift ingediend.
2. Overwegingen
2.1. De Voorzitter doet uitspraak zonder zitting.
2.2. Ingevolge artikel 8:84, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, in geval van intrekking van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro die wet worden veroordeeld.
2.3. Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8:75a van de Awb in een voorlopige voorziening-procedure dient de vraag of sprake is van "geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen" in de eerste plaats te worden gerelateerd aan het specifieke doel van die procedure, te weten het voorkomen van onevenredig nadeel hangende de bezwaar- of (hoger)beroepsprocedure. Aldus wordt "geheel of gedeeltelijk tegemoetgekomen" in de zin van dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voorlopig opschort, dan wel de gevraagde voorlopige maatregel verricht, waardoor onevenredig nadeel wordt voorkomen.
Verzoeker heeft zijn verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken omdat het college bij besluit van 1 september 2005 de begunstigingstermijn van het dwangsombesluit heeft verlengd tot 6 weken na uitspraak op het hoger beroep.
Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de Voorzitter sprake van "gedeeltelijk tegemoetkomen" in de zin van artikel 8:75a van de Awb.
2.4. Het verzoek dient als kennelijk gegrond op na te melden wijze te worden toegewezen.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Brummen tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Brummen aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. van den Ende, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Van den Ende
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2005
275.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,