ECLI:NL:RVS:2005:AU5348
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Th.G. Drupsteen
- M.J. van der Zijpp
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen verklaring wijziging inrichting composteerbedrijf zonder nadelige milieugevolgen
Bij besluit van 9 februari 2005 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland een verklaring afgegeven op grond van artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, naar aanleiding van een melding van een vergunninghoudster over een verandering in haar composteerinrichting. De appellant stelde dat het opslaan van structuurmateriaal buiten tot geuremissie zou leiden omdat het materiaal niet volledig gecomposteerd zou zijn.
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 19 september 2005 behandeld, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht. Uit de stukken en de toelichting bleek dat het structuurmateriaal het volledige composteringsproces had doorlopen en bij opslag een temperatuur lager dan 50 graden Celsius zou hebben, waardoor geen geuremissie zou ontstaan.
De voorzitter achtte het aannemelijk dat het buiten opgeslagen materiaal geen nadelige milieugevolgen veroorzaakt en concludeerde dat het besluit van het college terecht was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.