Uitspraak
200405458/1betreffende een andere co-vergistingsinstallatie op het Molenveld te Wanroij, dat het bermgras ten behoeve van de inrichting als afvalstof moet worden aangemerkt. De beroepsgrond treft geen doel.
Raad van State
Bij besluit van 28 september 2004 verleende het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant een vergunning aan Coöperatie Beheer Mineralen U.A. voor het oprichten en exploiteren van een vergistingsinstallatie op het industrieterrein Molenveld te Wanroij. Appellanten stelden beroep in tegen dit besluit, onder meer vanwege de vermeende noodzaak van een milieu-effectrapportage (MER), geurhinder en onduidelijkheid over luchtkwaliteitsnormen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de technische capaciteit van de inrichting onder de 100 ton per dag ligt, waardoor geen MER-beoordelingsplicht bestaat. Ook werd geoordeeld dat de geurhinder binnen de vergunde normen blijft en dat de vergunninghouder voldoende maatregelen heeft getroffen om geurhinder te beperken. Wel stelde de Afdeling vast dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat niet aannemelijk is gemaakt dat aan de grenswaarden van het Besluit luchtkwaliteit wordt voldaan, behalve voor zwaveldioxide.
De overige beroepsgronden, waaronder de classificatie van bermgras als afvalstof en eerdere bedenkingen tegen het ontwerpbesluit, werden ongegrond verklaard. Gezien het belang van luchtkwaliteit voor de vergunningverlening werd het besluit vernietigd. Daarnaast werd het college van gedeputeerde staten veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellanten.
Uitkomst: Het besluit tot vergunningverlening wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van de luchtkwaliteit.