Uitspraak
200204912/1gaat de Woningwet er vanuit dat, indien tussen bestuur en burger verschil van mening bestaat over de vraag of er sprake is van bouwen in de zin van artikel 40 van Pro deze wet, de burger - op de daarvoor voorgeschreven wijze - een aanvraag om bouwvergunning indient teneinde duidelijkheid hierover te krijgen. In die procedure kan ook de vraag aan de orde worden gesteld, of een dergelijke vergunning nodig is. Op dit uitgangspunt wordt een uitzondering gemaakt, indien het volgen van de vergunningprocedure als een onevenredig bezwarende weg moet worden aangemerkt. Een zodanige situatie doet zich hier niet voor. De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht geoordeeld dat de mededeling dat voor het afmeren van de steigers als omschreven in de brief van 24 november 2004 een bouwvergunning vereist is, niet als een publiekrechtelijke rechtshandeling is aan te merken en evenmin een wijziging inhoudt van het besluit van 22 januari 2002, nu dit besluit kennelijk zo moet worden gelezen dat dit betrekking had op elke vorm van bouwen zonder bouwvergunning.