ECLI:NL:RVS:2005:AU7154
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M. Oosting
- F.B. van der Maesen de Sombreff
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen aanwijzing locatie ondergrondse afvalcontainer in Rotterdam
Bij besluit van 1 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam locaties aangewezen voor ondergrondse containers voor huishoudelijk restafval, glas en papier, waaronder de hoek Meyenhage/Schere. Appellante maakte bezwaar tegen deze locatie vanwege vermeende overlast van geluid, stank, verkeer, zwerfafval en ongedierte. Na een ongegrondverklaring van het bezwaar door verweerder, stelde appellante beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het beroep behandeld en overwogen dat niet is gebleken dat het college onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt bij de besluitvorming. Verweerder heeft bij de locatiekeuze rekening gehouden met de ondergrondse infrastructuur, maximale afstand tot huishoudens, beleidsuitgangspunten van deelgemeenten en wensen van omwonenden. De locatie voldoet aan deze criteria en overlast wordt voldoende beperkt door de constructie en capaciteit van de container.
Verder heeft verweerder meerdere alternatieve locaties onderzocht en gemotiveerd waarom deze minder geschikt waren. Gezien de overgelegde stukken en ter zitting gegeven toelichting acht de Afdeling het besluit redelijk en niet onaanvaardbaar. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de locatieaanwijzing voor de ondergrondse afvalcontainer wordt ongegrond verklaard.