ECLI:NL:RVS:2005:AU7184
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- H.G. Lubberdink
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatige paspoortverlenging
Appellante verzocht de minister van Buitenlandse Zaken om schadevergoeding na afwijzing van haar aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van haar Nederlands paspoort. De minister wees dit verzoek af, waarna appellante bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank 's-Gravenhage, dat ongegrond werd verklaard.
In hoger beroep bij de Raad van State beperkte appellante haar klacht tot de stelling dat de afwijzing van 18 juni 1999 onrechtmatig was, omdat de minister onvoldoende zorgvuldig had gehandeld en zijn onderzoeksplicht had verzaakt. Tevens voerde zij aan dat zij gerechtvaardigd vertrouwen had op haar Nederlanderschap vanwege een eerder gelegaliseerd pseudoniem in haar paspoort.
De Raad van State oordeelde dat de minister op basis van de verstrekte gegevens mocht concluderen dat appellante haar Nederlanderschap per 1 januari 1995 had verloren en geen nader onderzoek hoefde te verrichten. De legalisering van een pseudoniem was niet relevant voor het Nederlanderschap. Omdat het besluit niet onrechtmatig was, was er geen grond voor schadevergoeding. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding bevestigd.