ECLI:NL:RVS:2005:AU7542
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
- L. Groenendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand wegens overschrijding vermogensgrens
Appellant heeft bij het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage meerdere aanvragen gedaan voor toevoegingen op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). Deze aanvragen zijn bij besluiten van 14 november 2002 afgewezen vanwege het feit dat appellant beschikte over een eigen vermogen dat de wettelijke grens van € 6.352,92 overschreed.
De raad voor rechtsbijstand heeft de administratieve beroepen van appellant tegen deze besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank 's-Gravenhage heeft dit oordeel bevestigd in haar uitspraak van 15 december 2004. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
In het hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de hypothecaire schuld hoger was dan door de raad aangenomen, dat een aandelenpakket niet tot zijn vermogen behoorde omdat het verpand was, en dat de WOZ-waarde van zijn woning niet als uitgangspunt mocht dienen vanwege een lopende procedure bij de Hoge Raad. De Raad van State oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd voor een hogere schuld, dat het aandelenpakket juridisch gezien nog tot zijn vermogen behoort, en dat de WOZ-waarde redelijk als uitgangspunt kon worden genomen.
Verder verwierp de Raad van State het betoog dat de raad te 's-Gravenhage gebonden zou zijn aan beslissingen van het bureau te Amsterdam en dat appellant in zijn procesbelangen was geschaad. De Raad concludeerde dat de rechtbank en de raad terecht het administratief beroep ongegrond hebben verklaard en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat appellant geen toevoeging rechtsbijstand krijgt vanwege overschrijding van de vermogensgrens.