ECLI:NL:RVS:2005:AU7553

Raad van State

Datum uitspraak
30 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200505069/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.C.K.W. Bartel
  • A.M.L. Hanrath
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing bouwgrens bestemmingsplan Buitengebied Driebergen-Rijsenburg

Bij besluit van 16 september 2004 stelde de gemeenteraad van Driebergen-Rijsenburg het bestemmingsplan 'Buitengebied' vast, waarin onder meer de bouw van bedrijfswoningen voor twee bestaande boomkwekerijen aan de Akkerweg en het Kloosterlaantje werd mogelijk gemaakt. Het college van gedeputeerde staten van Utrecht keurde dit plan goed op 26 april 2005.

Verzoekster, de Vereniging Tussen Heuvelrug en Wetering, stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht op 12 september 2005 om een voorlopige voorziening. Zij betoogde dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de boomkwekerijen als volwaardige bedrijven werden aangemerkt en waarom wonen bij deze bedrijven duurzaam noodzakelijk zou zijn.

De Voorzitter stelde vast dat de stukken en de zitting onvoldoende inzicht boden in de motivering van het college. Daarom werd nader onderzoek door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak noodzakelijk geacht. Om onomkeerbare ontwikkelingen te voorkomen, werd de aanduiding 'bouwgrens' voor de bouwvlakken van de boomkwekerijen bij wijze van voorlopige voorziening geschorst.

Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van verzoekster. De uitspraak werd gedaan op 30 november 2005 door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De bouwgrenzen voor de boomkwekerijen in het bestemmingsplan zijn bij voorlopige voorziening geschorst wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

200505069/2.
Datum uitspraak: 30 november 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
de vereniging "Vereniging Tussen Heuvelrug en Wetering", gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,
verzoekster,
en
het college van gedeputeerde staten van Utrecht,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 16 september 2004 heeft de gemeenteraad van Driebergen-Rijsenburg het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.
Bij besluit van 26 april 2005, nummer 2005REG00098li, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.
Tegen dit besluit heeft onder meer verzoekster bij brief van 22 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 augustus 2005.
Bij brief van 12 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2005, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 november 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. B.J. Meruma, advocaat te Alkmaar, en verweerder, vertegenwoordigd door G.A. de Mello, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts zijn als partij gehoord de gemeenteraad van Driebergen-Rijsenburg, vertegenwoordigd door drs. W.R. Bosch, ambtenaar van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door ing. E. Stroobosscher, werkzaam bij LTO Noord Advies.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Het bestemmingsplan heeft betrekking op het buitengebied van de gemeente Driebergen-Rijsenburg. Het plan voorziet onder meer in de mogelijkheid ten behoeve van twee bestaande boomkwekerijen aan respectievelijk de Akkerweg en het Kloosterlaantje een bedrijfswoning te bouwen.
2.3.    Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en het goedgekeurd. Hij heeft daartoe overwogen dat uit ter hoorzitting namens voornoemde kwekerijbedrijven overgelegde gegevens is gebleken dat sprake is van twee volwaardige bedrijven en dat de noodzaak van wonen bij het bedrijf zowel uit een oogpunt van permanent toezicht als voor een duurzame en goede bedrijfsuitoefening genoegzaam is aangetoond.
2.4.    Verzoekster stelt dat verweerder ten onrechte in zoverre goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij voert daartoe aan dat uit het bestreden besluit niet blijkt op grond van welke concrete gegevens de desbetreffende kwekerijen als volwaardige bedrijven zijn aangemerkt en met name dat daaruit niet blijkt op grond van welke concrete informatie wonen bij deze bedrijven duurzaam noodzakelijk moet worden geacht.
2.5.    De Voorzitter stelt vast dat in de stukken en op grond van het verhandelde ter zitting onvoldoende inzicht is geboden op welke wijze verweerder tot de slotsom is gekomen dat sprake is van twee volwaardige bedrijven, waarbij uit een oogpunt van permanent toezicht het wonen bij het bedrijf noodzakelijk is. De Voorzitter acht daarom nader onderzoek door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak aangewezen, teneinde te kunnen beoordelen of verweerder terecht deze gevolgtrekking heeft gemaakt. De bodemprocedure leent zich voor een beoordeling van dat onderzoek meer dan de thans aan de orde zijnde procedure. In verband hiermee acht de Voorzitter teneinde onomkeerbare ontwikkelingen te voorkomen termen aanwezig het bestreden besluit, voor zover het betreft de op plandeelkaart B opgenomen aanduiding "bouwgrens" met betrekking tot de bouwvlakken voor de bestaande boomkwekerijen aan de Akkerweg en het Kloosterlaantje, bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.
2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 26 april 2005, nummer 2005REG00098li, voorzover het betreft de op plandeelkaart B opgenomen aanduiding "bouwgrens" met betrekking tot de bouwvlakken voor de bestaande boomkwekerijen aan de Akkerweg en het Kloosterlaantje, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;
II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 346,00 (zegge: driehonderdzesenveertig euro), waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Utrecht aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
III.    gelast dat de provincie Utrecht aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.
w.g. Bartel    w.g. Hanrath
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005
392.
plankaart