ECLI:NL:RVS:2005:AU7598
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- W.M. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vergoeding kosten rechtsbijstand wegens kennelijke grondloosheid aanvraag
Appellante verzocht om vergoeding van kosten van rechtsbijstand, maar het Bureau Rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te Leeuwarden wees dit verzoek op 5 april 2004 af. De raad verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond en ook de rechtbank Leeuwarden bevestigde deze beslissing bij uitspraak van 13 april 2005.
Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel degelijk gronden had aangevoerd en dat de werkzaamheden van haar gemachtigde binnen diens takenpakket vielen. De Raad van State oordeelde echter dat ondanks herhaalde verzoeken geen inhoudelijke gronden waren aangevoerd tegen de weigeringsgronden van de minister van Buitenlandse Zaken.
Daarmee was de aanvraag kennelijk van elke grond ontbloot in de zin van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de vergoeding van kosten rechtsbijstand wordt bevestigd.