Uitspraak
200406184/1(JB 2005/204), in dat verband de wettelijke bepalingen van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek moeten worden gezien als bekostigingsvoorwaarden voor de bijzondere hogeschool. Derhalve wordt de rechtsverhouding tussen [wederpartij] en de bijzondere instelling beheerst door het privaatrecht. De beslissing die hier aan de orde is heeft betrekking op de beoordeling van een scriptie, die is gelijk te stellen met de beoordeling van een tentamen. Deze beoordeling wordt beheerst door de privaatrechtelijke verhouding tussen de student en de hogeschool, zoals deze is neergelegd in het desbetreffende Studentenstatuut en de desbetreffende Onderwijs- en Examenregeling. De examinatoren of de examencommissie zijn terzake niet met openbaar gezag bekleed. Gelet hierop kan het College niet als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb worden aangemerkt voorzover het heeft geoordeeld over de rechtmatigheid van de beslissing van 8 november 2001. Hieruit volgt dat tegen de beslissing van 3 april 2003 geen beroep bij de bestuursrechter openstaat, zodat de rechtbank zich bij de aangevallen uitspraak ten onrechte bevoegd heeft geacht kennis te nemen van het geschil. Met het oog op artikel 8:71 van Pro de Awb stelt de Afdeling vast dat terzake van het geschil dat partijen in deze procedure verdeeld houdt uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.