ECLI:NL:RVS:2005:AU8470
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- S.W. Schortinghuis
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake bouwvergunning en erfdienstbaarheid in Bodegraven
Het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven verleende op 6 februari 2003 een bouwvergunning met vrijstelling voor het bouwen van twee woningen op een perceel in Bodegraven. Appellant maakte bezwaar tegen deze vergunning en stelde dat er een recht van erfdienstbaarheid bestond dat de bouw zou belemmeren.
De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde de beslissing op bezwaar, waarna de Raad van State het hoger beroep behandelde. Appellant voerde aan dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar het vermeende recht van erfdienstbaarheid en dat dit ten onrechte buiten de belangenafweging was gelaten.
De Raad van State oordeelde dat het bestaan van een erfdienstbaarheid door vergunninghouder vanaf het begin werd betwist en dat niet vaststond dat civielrechtelijke belemmeringen de bouw in de weg stonden. Ook een latere verklaring van appellant over eigendom door verjaring deed hieraan niet af. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.