ECLI:NL:RVS:2005:AU8716

Raad van State

Datum uitspraak
19 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200509683/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M. Vlasblom
  • I.A. Molenaar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen toewijzing voorrangsverklaring woningtoewijzing

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees het verzoek van een belanghebbende om een voorrangsverklaring in het kader van woningtoewijzing af. Tegen deze afwijzing werd bezwaar gemaakt, dat door het college ongegrond werd verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van de belanghebbende gegrond en bepaalde dat het college binnen een week een voorrangsverklaring moest verstrekken.

Het college stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van het vonnis van de voorzieningenrechter op te schorten. De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde dit verzoek en overwoog dat het oordeel van de voorzieningenrechter dat het college onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd had gehandeld, in het hoger beroep betwijfeld kon worden.

Voorts werd overwogen dat de belanghebbende mogelijkheden heeft om haar woonprobleem via bestaande rechten bij Woningnet op te lossen, zodat het college niet verplicht was nader onderzoek te doen naar haar medische situatie. Gezien deze omstandigheden werd het college ontheven van de plicht om de voorrangsverklaring te verstrekken totdat het hoger beroep is beslist. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het college van Amsterdam wordt ontheven van de plicht om binnen een week een voorrangsverklaring te verstrekken totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

200509683/2.
Datum uitspraak: 19 december 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
verzoeker,
tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/4231 en 05/4232 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2005 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te [woonplaats]
en
verzoeker.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 13 mei 2005 heeft verzoeker (hierna: het college) het verzoek van [wederpartij] om een voorrangsverklaring in het kader van woningtoewijzing te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 10 augustus 2005 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 oktober 2005, verzonden op 21 november 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college [wederpartij] binnen een week na verzending van de uitspraak een voorrangsverklaring verstrekt.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 24 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft het college de Voorzitter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 december 2005, waar het college, vertegenwoordigd door mr. N. Wohlgemuth Kitslaar, advocaat te Amsterdam, en [wederpartij] in persoon, bijgestaan door mr. M.J. Hillen, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe dat het college geen uitvoering behoeft te geven aan de door de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gegeven opdracht om binnen een week na verzending van diens uitspraak aan [wederpartij] een voorrangsverklaring te verstrekken.
2.2.    De voorzieningenrechter heeft aan de vernietiging van de in bezwaar gehandhaafde weigering een voorrangsverklaring te verstrekken het oordeel ten grondslag gelegd dat deze onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.
Gelet op hetgeen het college in hoger beroep en ter zitting van de Voorzitter heeft aangevoerd, moet worden betwijfeld of dit oordeel in de bodemprocedure stand zal houden. Naar voorlopig oordeel heeft het college in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat [wederpartij] over mogelijkheden beschikt om zelf haar woonprobleem op te lossen via de door haar bij Woningnet opgebouwde rechten, zodat het college - gelet op het terzake gevoerde beleid - niet gehouden was nader onderzoek te doen naar de medische situatie van [wederpartij], waaromtrent zij een aantal verklaringen heeft overgelegd.
Het vorenstaande betekent dat evenzeer moet worden betwijfeld of grond bestond voor de door de voorzieningenrechter aan het college gegeven opdracht om binnen een week na de uitspraak een voorrangsverklaring aan [wederpartij] te verstrekken. Dit klemt temeer daar de overwegingen die de voorzieningenrechter aan zijn oordeel ten principale ten grondslag heeft gelegd er niet toe strekken dat de gewenste voorrangsverklaring dient te worden verstrekt.
2.3.    Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wordt ontheven van zijn plicht om ter uitvoering van de uitspraak van de voorzieningenrechter een nieuwe beslissing te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist, waaronder begrepen de plicht om binnen een week na verzending van de uitspraak van de voorzieningenrechter aan [wederpartij] een voorrangsverklaring te verstrekken.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom    w.g. Molenaar
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2005
369.