ECLI:NL:RVS:2005:AU8761
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.M. Boll
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen vergunning voor duivenhouderij met milieubeperkingen
Verweerder heeft aan appellant sub 1 een milieuvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het houden van duiven. Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 en appellanten sub 2 beroep ingesteld bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het beroep behandeld en beoordeeld aan de hand van het recht dat gold vóór de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet milieubeheer.
De appellanten voerden aan dat bepaalde vergunningvoorschriften onnodig beperkend zijn en dat er sprake zou zijn van onaanvaardbare stofhinder en onduidelijkheid over het aantal te houden duiven. De Afdeling oordeelde dat de voorschriften omtrent uitvliegtijden en het sluiten van ramen en deuren tijdens het schoonmaken in redelijkheid noodzakelijk zijn ter bescherming van het milieu. Daarnaast werd vastgesteld dat de vergunning voldoende duidelijkheid biedt over het maximale aantal duiven en dat de bezwaren over stofhinder en naleving van voorschriften onvoldoende zijn om het besluit te vernietigen.
De Afdeling concludeert dat de vergunning en de aan haar verbonden voorschriften in redelijkheid zijn vastgesteld en dat de beroepen ongegrond zijn. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De beroepen tegen de milieuvergunning voor het houden van duiven worden ongegrond verklaard.