ECLI:NL:RVS:2005:AU8774
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J. de Koning
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit vergoeding rechtsbijstand voor beroepsprocedure na tijdelijke regeling
Het bureau rechtsbijstandvoorziening had de vergoeding voor de toevoeging in het kader van een voornemenprocedure vastgesteld op €724,83 en de vergoeding voor de daaropvolgende beroepsprocedure geweigerd. Appellant had eerder een toevoeging verkregen die volgens de toen geldende tijdelijke regeling zowel voor de voornemen- als beroepsprocedure gold.
De raad voor rechtsbijstand had een tijdelijke regeling gehanteerd voor asielprocedures, waarbij voornemen en beroep onder één toevoeging vielen. Na invoering van de Vreemdelingenwet 2000 en aanpassing van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 per 3 april 2002, werd een nieuwe regeling van kracht waarbij voor beroep een aparte toevoeging moest worden aangevraagd. In een nieuwsbrief werd dit aangekondigd, maar niet ondubbelzinnig gesteld dat een nieuwe toevoeging verplicht was.
Appellant stelde dat hij op grond van de tijdelijke regeling geen nieuwe toevoeging hoefde aan te vragen en dat de raad dit ondubbelzinnig had moeten communiceren. De Raad van State oordeelde dat de onduidelijkheid voor rekening van de raad komt en dat appellant niet kan worden tegengeworpen dat hij geen nieuwe toevoeging had aangevraagd.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de raad voor rechtsbijstand, en bepaalde dat appellant het betaalde griffierecht vergoed krijgt. Er was geen bewijs van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking kwamen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de raad voor rechtsbijstand wordt vernietigd.