Uitspraak
200304658/1, blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht dat in deze bepaling een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure is neergelegd. Uitzonderingen op de hoorplicht dienen dan ook restrictief te worden geïnterpreteerd. Iedere twijfel omtrent de vraag of een belanghebbende van zijn recht betreffende het horen geen gebruik heeft willen maken, verhindert dat zonder meer van het horen kan worden afgezien. Slechts indien, overeenkomstig artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, de belanghebbende - al dan niet naar aanleiding van een daartoe strekkende vraag van het bestuursorgaan - uitdrukkelijk heeft verklaard geen gebruik te willen maken van zijn recht te worden gehoord, kan van het horen worden afgezien. De bewijslast omtrent de hiertoe gebleken toestemming dient bij het bestuursorgaan te liggen.