ECLI:NL:RVS:2006:AU9826

Raad van State

Datum uitspraak
18 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200503805/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. van den Brink
  • P. Lodder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 Wet op de Raad van State
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen beëindiging autohandel

Het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen heeft appellant gelast de autohandel op een perceel te beëindigen, met oplegging van een dwangsom. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die dit beroep niet-ontvankelijk verklaarde.

Appellant stelde in hoger beroep dat het beroep wel ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat het beroepschrift kennelijk was gericht tegen de beslissing op bezwaar en niet tegen het primaire besluit. De Raad van State oordeelde dat er sprake was van een kennelijke verschrijving in het beroepschrift en dat het beroep tijdig was ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug. Tevens stelde de Raad van State de proceskosten in hoger beroep vast en bepaalde dat de rechtbank over de vergoeding van deze kosten en de proceskosten in beroep beslist.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen.

Uitspraak

200503805/1.
Datum uitspraak: 18 januari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. 04/1461 GEMWT van de rechtbank Leeuwarden van 24 maart 2005 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen (hierna: het college) appellant gelast, onder oplegging van een dwangsom, de autohandel op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te beëindigen.
Bij besluit van 10 november 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 21 maart 2005, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 24 maart 2005, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Dit proces-verbaal is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 28 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 mei 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 29 juni 2005 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A.J. Spoelstra, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.J.H. Zuur, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard. Hij stelt hierbij dat het de rechtbank, gezien de uitgebreide beschrijving van het bestreden besluit zelf, ondanks de misslag voor wat betreft de datum, duidelijk had moeten zijn dat zijn beroepsschrift van 13 december 2004 was gericht tegen de beslissing op bezwaar van 10 november 2004 en niet tegen het primaire besluit van 12 december 2003.
2.1.1.    Dit betoog slaagt. Blijkens het gestelde in het, ook als zodanig aangeduide, beroepschrift is door appellant beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 12 december 2003. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen kon uit het aanvullende beroepschrift van 7 januari 2005 worden afgeleid dat het beroep kennelijk was gericht tegen de beslissing op bezwaar van 10 november 2004. Gezien het voorgaande was, achteraf bezien, sprake van een kennelijke verschrijving in het beroepschrift van appellant van 13 december 2004. Derhalve moet in dit geval worden vastgesteld dat binnen de daarvoor geldende termijn beroep is ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 10 november 2004. De rechtbank heeft dit miskend.
2.2.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State terugwijzen naar de rechtbank.
2.3.    De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van die kosten te beslissen.
De rechtbank dient overigens ook omtrent de vergoeding van de proceskosten in beroep te beslissen.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 24 maart 2005, 04/1461 GEMWT;
III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.    stelt de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten vast op een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent vergoeding van deze kosten;
V.    gelast dat de gemeente Achtkarspelen aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 207,00 (zegge: tweehonderdzeven euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink    w.g. Lodder
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2006
17-503.