Uitspraak
200504096/1heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
200000983/1niet onredelijk geacht.
Raad van State
De gemeenteraad van Hulst stelde op 15 juli 2004 het bestemmingsplan "Buitengebied Noord" vast, dat onder meer regels bevatte voor agrarische doeleinden en intensieve veehouderij. Het college van gedeputeerde staten van Zeeland keurde dit plan op 15 februari 2005 goed. Appellanten voerden beroep aan tegen de goedkeuring van bepaalde plandelen, omdat deze volgens hen onterecht geen nieuwvestiging en onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden voor intensieve veehouderij toestonden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het restrictieve vestigingsbeleid voor intensieve veehouderij in overeenstemming is met provinciaal beleid en dat de milieubeoordeling, gebaseerd op stikstofbelasting van oppervlaktewater, redelijk was. Het betoog dat nieuwe mestwetgeving in aanmerking genomen had moeten worden faalde omdat deze pas na het besluit in werking trad.
Wel stelde de Afdeling vast dat het bestemmingsplan onzorgvuldig was voorbereid en genomen voor het perceel met de nadere aanwijzing "intensieve veehouderij (ivI)", omdat het plan uitbreiding van intensieve veehouderij als hoofdtak niet toestaat terwijl dit volgens de planvoorschriften niet is toegestaan. Daarom werd de goedkeuring voor dat plandeel vernietigd en onthouden.
De Afdeling veroordeelde de provincie Zeeland tot vergoeding van proceskosten aan appellanten en tot terugbetaling van griffierecht. Voor het overige werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De goedkeuring van het bestemmingsplan voor intensieve veehouderij op een specifiek perceel wordt vernietigd en onthouden wegens strijd met zorgvuldigheid, voor het overige wordt het beroep ongegrond verklaard.