ECLI:NL:RVS:2006:AV0233

Raad van State

Datum uitspraak
25 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200504307/1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 lid 3 WRO
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering vrijstelling en bouwvergunning voor garage/berging in strijd met bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende verleende aanvankelijk vrijstelling en bouwvergunning voor het vernieuwen en vergroten van een garage/berging op een perceel. Deze besluiten werden aangevochten door een derde partij en uiteindelijk herroepen door het college vanwege strijdigheid met het bestemmingsplan en eigendomsinbreuk.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de weigering van de vrijstelling en bouwvergunning. Appellant stelde in hoger beroep dat het college de beslissing had moeten aanhouden totdat de eigendomsverhoudingen via een civiele procedure waren vastgesteld en dat het college de vrijstelling onterecht had geweigerd.

De Raad van State oordeelde dat het college zich terecht op het advies van de Adviescommissie had gebaseerd en dat appellant onvoldoende had aangetoond dat sprake was van verkrijgende verjaring van de grond waarop de garage/berging deels was gesitueerd. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van vrijstelling en bouwvergunning wegens strijdigheid met het bestemmingsplan en eigendomsinbreuk.

Uitspraak

200504307/1.
Datum uitspraak: 25 januari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1581 van de rechtbank
's-Hertogenbosch van 4 april 2005 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 16 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende (hierna: het college) aan appellant vrijstelling met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van het bestemmingsplan "Bungalowpark Leende" (hierna: de WRO onderscheidenlijk het bestemmingsplan) verleend ten behoeve van de legalisering van een garage/berging bij de woning gelegen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 26 juni 2003 heeft het college aan appellant bouwvergunning verleend voor het geheel vernieuwen en vergroten van een garage/berging op het perceel.
Bij besluit van 19 april 2004 heeft het college het door [partij] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 26 juni 2003, waarbij bouwvergunning is verleend met gebruikmaking van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO, herroepen in die zin dat de verleende vrijstelling en bouwvergunning alsnog dienen te worden geweigerd.
Bij uitspraak van 4 april 2005, verzonden op 5 april 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 17 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 juni 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 12 juli 2005 heeft het college van antwoord gediend.
Bij brief van 19 juli 2005 is namens [partij] een reactie ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant van 9 december 2005. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2005, waar appellant, bijgestaan door mr. M.J.A. Verhagen, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.S. Klaver, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is [partij], vertegenwoordigd door mr. W. Visser, gemachtigde, daar als partij gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    Het inmiddels gerealiseerde bouwplan voorziet in het geheel vernieuwen en vergroten van een garage/berging.
2.2.    Niet in geschil is dat de goothoogte, de totale hoogte en de oppervlakte van de garage/berging in strijd zijn met de op grond van het bestemmingsplan geldende maatvoeringen.
2.3.    Bij besluit van 19 april 2004 heeft het college alsnog geweigerd vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan te verlenen. Kort weergegeven is daartoe, onder verwijzing naar het advies van 20 januari 2004 van de Algemene kamer van de Commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften (hierna: de Adviescommissie), overwogen dat de garage/berging deels is gesitueerd op het perceel van [partij] en dat de strijdigheid met het bestemmingsplan, gelet op de eigendomsinbreuk, niet met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO kan worden opgeheven.
2.4.    Het betoog van appellant dat het college de beslissing op het bezwaar van [partij] ten onrechte niet heeft aangehouden totdat middels een civiele procedure zekerheid was verkregen over de eigendomsverhoudingen, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden verworpen.
2.5.    Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het college aan het alsnog weigeren van vrijstelling en bouwvergunning niet slechts het advies van 20 januari 2004 van de Adviescommissie ten grondslag kon leggen, faalt evenzeer. Nu in het advies gemotiveerd uiteen is gezet waarom het college naar het oordeel van de adviescommissie ten onrechte gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid vrijstelling met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO te verlenen, valt niet in te zien dat het college zich ter motivering van de beslissing op bezwaar niet op dit advies kon baseren.
2.6.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college de gevraagde vrijstelling in redelijkheid niet kon weigeren.
Anders dan appellant aanvoert, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden aangenomen dat een deel van de garage/berging niet binnen de kadastrale grenzen van het perceel van appellant is gesitueerd. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat door appellant ten tijde van het besluit van 19 april 2004 niet in voldoende mate was aangetoond dat sprake is van verkrijgende verjaring ten aanzien van een deel van de grond waarop de garage/berging is gesitueerd, nog daargelaten de vraag of de garage/berging niet deels buiten dit deel van de grond is opgericht. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling 26 november 2003 in zaak no.
200301652/1heeft de rechtbank dan ook terecht overwogen dat het college de gevraagde vrijstelling in redelijkheid kon weigeren.
2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.
w.g. Bijloos    w.g. Schortinghuis
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2006
66-423.