ECLI:NL:RVS:2006:AV0253

Raad van State

Datum uitspraak
19 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200510544/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
  • M.A.G. Stolker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1 Wet milieubeheerBesluit tankstations milieubeheerArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bestuursdwang tankstation wegens milieuregels

Bij besluit van 16 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkelland bestuursdwang toegepast tegen het tankstation van verzoeker wegens niet-naleving van het Besluit tankstations milieubeheer en overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Verzoekers maakten bezwaar en stelden beroep in bij de Raad van State.

De Voorzitter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening en constateerde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die afzien van handhaving rechtvaardigen. Hoewel verzoekers een plan van aanpak hadden opgesteld voor een nieuw onbemand tankstation, was er geen financiële onderbouwing ingediend die een schorsing van het besluit zou rechtvaardigen.

Verzoekers stelden dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden en dat verweerder willekeurig handelde. De Voorzitter vond dit onvoldoende aannemelijk, mede omdat de situaties niet vergelijkbaar waren en de beslissingen binnen wettelijke termijnen waren genomen.

Gezien deze overwegingen wees de Voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bestuursdwangbesluit wordt afgewezen.

Uitspraak

200510544/2.
Datum uitspraak: 19 januari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker A] en [verzoeker B], gevestigd dan wel wonend te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Berkelland,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 16 augustus 2005, kenmerk 7802, heeft verweerder besloten bestuursdwang toe te passen terzake van het tankstation [verzoeker A] wegens het niet voldoen aan de eisen van het Besluit tankstations milieubeheer en overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.
Bij besluit van 20 december 2005, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 28 december 2005, bij de Raad van State ingekomen per fax van gelijke datum, beroep ingesteld. Bij brief van dezelfde datum hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen
Bij brief van 5 januari 2006 hebben verzoekers nadere gronden ingediend.
Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 januari 2005, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.S.W. Lucassen, advocaat te Zutphen, en ing. L.J. Oude-Lenferink, ambtenaar van de gemeente, is verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    In de voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen het hiervoor genoemde besluit van 16 augustus 2005 (uitspraak 7 november 2005, no.
200508824/1) heeft de Voorzitter overwogen dat  uit hetgeen verzoekers hebben aangevoerd niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan behoort te worden afgezien van handhaving.
In hetgeen tegen het besluit van 20 december 2005 is aangevoerd ziet de Voorzitter geen reden om daarover thans anders te denken.
2.3.    In de uitspraak van 7 november 2005 is verder vermeld dat ter zitting van 31 oktober 2005 is gebleken dat verzoekers een (nieuw) plan  van aanpak hebben opgesteld, gedateerd 27 oktober 2005, waarin wordt voorgesteld ter plaatse van het bestaande tankstation een geheel nieuw onbemand tankstation op te richten. Verzoekers hebben op genoemde zitting toegezegd eind november 2005 een financiële onderbouwing van bedoelde plannen in te dienen. Afgesproken is dat indien het plan financieel niet haalbaar is, de verkoop van diesel en benzine zal worden beëindigd. Indien het plan financieel haalbaar blijkt, zal zo snel mogelijk aan de eisen van het Besluit worden voldaan. Gelet op deze omstandigheden heeft de Voorzitter het besluit hangende bezwaar in de procedure met zaak no.
200508824/1geschorst.
Ter zitting van 10 januari 2005 is gebleken dat op dat moment nog geen financiële onderbouwing van de bovenstaande verbouwingsplannen was overgelegd. Hetgeen verzoekers omtrent het nieuwe tankstation hebben aangevoerd rechtvaardigt derhalve evenmin een schorsing van het bestreden besluit.
2.4.    Verzoekers betogen dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden en in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld. Daartoe voeren zij aan dat verweerder minder strikt handhaaft in andere gevallen in de regio en dat verweerder de in deze procedure aangevoerde bezwaren te snel en onzorgvuldig heeft behandeld.
De Voorzitter acht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door verzoekers aangehaalde gevallen gelijk zijn daar het niet gaat om de handhaving van de milieuvoorschriften van tankstations en ook de overige omstandigheden niet gelijk zijn. Nu verweerder binnen de door de Awb gestelde termijnen heeft beslist, ziet de Voorzitter dan ook geen reden om aan te nemen dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel of van handelen in strijd met het verbod van willekeur.
2.5.    Gezien het vorenstaande en in afweging van de betrokken belangen, wijst de Voorzitter het verzoek af.
2.6.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. drs. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Stolker
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2006
157-484.