Bij besluit van 28 februari 2005 verleende het college van burgemeester en wethouders van Brummen een vergunning aan een vergunninghouder voor het oprichten en in werking hebben van een metaalbewerkingsinrichting te Brummen. Appellanten, wonend in de nabijheid, stelden dat de aanvraag onvoldoende inzicht gaf in de omvang van geluid- en trillingbelasting en dat zij hinder ondervonden van heftruck- en plaatschaaractiviteiten.
De aanvraag vermeldde wel een plaatschaar maar geen heftruckactiviteiten, terwijl deze ook op het buitenterrein plaatsvonden. Er was geen akoestisch of trillingonderzoek verricht. Het deskundigenbericht stelde dat de geluidbelasting mede door deze activiteiten bepalend is voor de milieubeoordeling. De Afdeling oordeelde dat verweerder door het ontbreken van deze informatie niet redelijkerwijs kon beoordelen of de aanvraag voldoende was voor een goede milieubeoordeling.
Daarmee handelde verweerder in strijd met artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de gemeente Brummen werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot vergunningverlening wordt vernietigd wegens onvoldoende gegevens over geluid- en trillingbelasting.
Uitspraak
200503353/1.
Datum uitspraak: 25 januari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], allen wonend te Brummen,
en
het college van burgemeester en wethouders van Brummen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 februari 2005, kenmerk 04.004171, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd voor metaalbewerking, gelegen aan de [locatie] te Brummen, kadastraal bekend gemeente Brummen, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 10 maart 2005 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 11 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2005, beroep ingesteld.
Bij brief van 3 juni 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 1 september 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2006, waar appellanten in persoon, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.
Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het Besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.
2.2. Appellanten voeren aan dat de aanvraag om vergunning onvoldoende gegevens bevat omdat deze ten onrechte geen inzicht geeft in de omvang van de geluid- en trillingbelasting vanwege de activiteiten van de inrichting. Zij stellen voorts geluidoverlast te ondervinden vanwege het laden en lossen met een heftruck en trillinghinder te ervaren vanwege het gebruik van een plaatschaar.
2.2.1. In het aanvraagformulier om vergunning zijn de activiteiten van de inrichting omschreven als "laswerk plaatwerk van kleine constructies". Onder punt 5.3 van de aanvraag is bij "Omschrijving (belangrijkste) geluid- en trillingbronnen binnen de inrichting" een plaatschaar vermeld. Ten behoeve van de aanvraag is geen akoestisch- of trillingonderzoek verricht. In het deskundigenbericht wordt opgemerkt dat in de inrichting ook een vorkheftruck aanwezig is en dat deze wordt gebruikt om grondstoffen en (metalen) eindproducten te laden en te lossen. Het laden en lossen vindt mede plaats op het buitenterrein van de inrichting. Deze activiteiten zijn echter niet in de aanvraag vermeld. Naar het oordeel van de Afdeling is de geluidbelasting afkomstig van deze activiteiten mede bepalend voor de beoordeling van de geluidbelasting die de inrichting veroorzaakt. Daarnaast kan op grond van de gegevens uit de aanvraag niet worden nagegaan of de activiteiten in de inrichting trillinghinder veroorzaken en, zo dit het geval zou zijn, wat de omvang van de hinder is.
De Afdeling overweegt, mede gezien het deskundigenbericht, dat verweerder door het ontbreken van de bovengenoemde informatie niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat deze aanvraag voldoende gegevens bevat om een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu mogelijk te maken. Het voorgaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat verweerder, nu hij evenmin op een andere wijze de noodzakelijke informatie heeft verkregen, door inhoudelijk op de aanvraag te beslissen in strijd heeft gehandeld met artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht en met het rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
2.3. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Brummen van 28 februari 2005, 04.004171;
III. gelast dat de gemeente Brummen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.