AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen weigering handhaving mechanische wadpierenwinning in Waddenzee
Appellant verzocht de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit om handhavend op te treden tegen mechanische winning van wadpieren in nieuw aangewezen gebieden van het staatsnatuurmonument Waddenzee. Verweerder wees dit verzoek af omdat de vergunningen verleend op 25 november 2003 onherroepelijk zijn geworden, ondanks dat eerdere vergunningen van 24 februari 2003 later zijn herroepen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de vergunningen van november 2003 zelfstandige en onaantastbare besluiten zijn, waarvoor geen toepassing van artikel 6:19 vanPro de Algemene wet bestuursrecht geldt. De intrekking van eerdere vergunningen leidt niet tot het vervallen van deze latere vergunningen. Appellant kon niet aannemelijk maken dat vergunninghouders buiten de toegestane gebieden opereren.
De Raad van State concludeerde dat geen grond bestaat voor handhavend optreden en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om geen handhavend op te treden is ongegrond verklaard.
Uitspraak
200506682/1.
Datum uitspraak: 1 februari 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 november 2004 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van appellant tot handhaving over te gaan en het ertoe te leiden dat geen mechanische winning van wadpieren plaatsvindt in de nieuw aangewezen gebieden in het staatsnatuurmonument Waddenzee totdat de aan [vergunninghouders] verleende vergunningen ingevolge artikel 12 vanPro de Natuurbeschermingswet (hierna: Nbw) van 24 februari 2003 onherroepelijk zijn geworden.
Bij besluit van 20 juni 2005 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellant bij faxbericht van 29 juli 2005 beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 augustus 2005.
Bij brief van 11 oktober 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
[Vergunninghouders] zijn als partij tot het geding toegelaten.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2006, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.E. de Groot, ambtenaar van het Ministerie, zijn verschenen. [Vergunninghouders] zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
2. Overwegingen
Overgangsrecht
2.1. Op 1 oktober 2005 zijn verschillende artikelen uit de Natuurbeschermingswet 1998 en de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.
Toetsingskader
2.2. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is het verboden zonder vergunning van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk zijn voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument of die een beschermd natuurmonument ontsieren.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden als schadelijk voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument in ieder geval aangemerkt handelingen, die de in de beschikking tot aanwijzing genoemde wezenlijke kenmerken van een beschermd natuurmonument aantasten.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is artikel 12 vanPro de Natuurbeschermingswet van overeenkomstige toepassing op staatsnatuurmonumenten.
Standpunt van appellant
2.3. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte zijn bezwaar tegen de weigering handhavend op te treden ongegrond heeft verklaard. Hij voert aan dat het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de besluiten van verweerder van 25 november 2003 waarbij de geldigheidsduur van de vergunningen is verlengd, zodat deze besluiten niet onherroepelijk zijn geworden.
Daarnaast stelt hij dat de besluiten van 25 november 2003 een lege huls zijn geworden doordat bij besluit van 20 mei 2005 de vergunningen van 23 februari 2003 zijn ingetrokken. Volgens appellant brengt dit laatste met zich dat [vergunninghouders] zonder de vereiste vergunning op grond van de Nbw mechanisch wadpieren winnen en verweerder gehouden is daartegen handhavend op te treden.
Standpunt van verweerder
2.4. Verweerder stelt dat de besluiten van 25 november 2003 waarbij de geldigheidsduur van de aan [vergunninghouders] verleende vergunningen van 24 februari 2003 is verlengd, in rechte onaantastbaar zijn geworden nu daartegen geen rechtsmiddelen zijn ingesteld. Volgens verweerder volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2005 dat het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is op de besluiten van 25 november 2003 en staat daarmee vast dat deze besluiten niet slechts wijzigingsbesluiten zijn maar zelfstandige vergunningen. Aangezien de voorwaarden van de vergunningen van 24 februari 2003 in de vergunningen van 25 november 2003 zijn geïncorporeerd, betekent de intrekking van de vergunningen van 24 februari 2003 niet dat de vergunningen van 25 november 2003 een lege huls zijn geworden, aldus verweerder.
Vaststelling van de feiten
2.5. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.
2.5.1. Bij besluiten van 24 februari 2003 heeft verweerder tot 1 januari 2004 aan [vergunninghouders] vergunningen verleend voor het mechanisch winnen van wadpieren in aangewezen gebieden in het staatsnatuurmonument Waddenzee.
Bij besluiten van 25 november 2003 heeft verweerder aan genoemde personen vergunningen verleend voor de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2007. Tegen deze besluiten heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
Het door appellant ingediende bezwaar tegen de besluiten van 24 februari 2003 heeft verweerder bij besluit van 12 maart 2004 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 maart 2005 heeft de Afdeling dit besluit vernietigd. Bij besluit van 20 mei 2005 heeft verweerder het door appellant ingediende bezwaar tegen de besluiten van 24 februari 2003 alsnog gegrond verklaard en deze besluiten herroepen.
2.5.2. De Afdeling heeft bij uitspraak van 2 maart 2005, 200403342/1, onder meer het volgende overwogen:
""2.1. Verweerder stelt dat appellanten sub 1 en het college geen belang meer hebben bij deze procedure, omdat de in geding zijnde vergunningen per 1 januari 2004 zijn geëxpireerd en de bij besluiten van 25 november 2003 verleende vergunningen voor mechanisch pierenwinnen voor de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2007 onherroepelijk zijn.
De Afdeling overweegt dat het belang bij een inhoudelijk oordeel omtrent de rechtmatigheid van de verleende vergunningen kan zijn gelegen in de omstandigheid dat appellanten het inhoudelijke oordeel van de Afdeling kunnen betrekken bij eventuele toekomstige aanvragen voor een vergunning voor het mechanisch winnen van pieren in het staatsnatuurmonument Waddenzee op grond van artikel 12 vanPro de Natuurbeschermingswet.
Verweerder verleent periodiek vergunningen voor het mechanisch winnen van pieren in de Waddenzee. Niet onaannemelijk is dat voor de periode na 1 januari 2007 weer een vergunningaanvraag zal worden ingediend.
Gelet op het voorgaande hebben appellanten sub 1 en het college belang bij een inhoudelijk oordeel"".
Het oordeel van de Afdeling
2.6. In de hierboven aangehaalde overweging ligt besloten dat de Afdeling, gelet op hetgeen daaromtrent in die procedure is komen vast te staan, ten aanzien van de besluiten van verweerder van 25 november 2003 geen aanknopingspunten heeft gevonden voor toepassing van artikel 6:19 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. In het kader van de huidige procedure is toepassing van artikel 6:19 vanPro de Algemene wet bestuursrecht niet aan de orde, nu de vergunningen als zodanig niet ter beoordeling staan.
2.6.1. Bij de besluiten van 25 november 2003 is de geldingsduur van de vergunningen van 24 februari 2003 verlengd en zijn de overige voorschriften van deze vergunningen onverkort van kracht verklaard. Zoals reeds ligt besloten in de hierboven aangehaalde overweging van de Afdeling uit de uitspraak van 2 maart 2005, zijn de vergunningen van 25 november 2003, mede gelet op het feit dat deze betrekking hebben op een nieuwe periode en op aanvraag zijn verleend, aan te merken als zelfstandige vergunningen die, nu daartegen geen bezwaar is ingediend, in rechte onaantastbaar zijn.
Het feit dat verweerder bij zijn besluit van 20 mei 2005 het door appellant ingediende bezwaar tegen de besluiten van 24 februari 2003 alsnog gegrond heeft verklaard en deze besluiten daarbij heeft herroepen, betekent dan ook niet dat aan de vergunningen van 25 november 2003 de grond is komen te ontvallen en aan deze vergunningen geen betekenis meer zou toekomen.
Een andersluidend oordeel zou tot ernstige rechtsonzekerheid voor vergunninghouders leiden.
Appellant heeft ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat de houders van de vergunningen van 25 november 2003 buiten de in deze vergunningen bepaalde gebieden wadpieren winnen. Het enkele feit dat er discrepantie bestaat tussen de bij de vergunningen gevoegde kaart en de in de vergunningen genoemde coördinaten, betekent niet zonder meer dat de vergunninghouders in strijd met de vergunning handelen. Overigens heeft verweerder ter zitting toegezegd zo spoedig mogelijk deze discrepantie weg te nemen door de coördinaten in overeenstemming met de kaart te brengen.
2.6.2. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat voor handhavend optreden geen grond bestaat en heeft hij het bezwaar van appellant terecht ongegrond verklaard.
Het beroep is ongegrond.
Proceskosten
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.