Uitspraak
200302477/1(AB 2004, 130) heeft de wetgever met artikel 19, eerste lid, van de WRO voorzien in een naast de bestemmingsplanprocedure staande en los daarvan toepasbare bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan voor een project. Voor de toepassing van deze bevoegdheid geldt de eis dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Verder dient het vrijstellingsbesluit ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de WRO naast de ruimtelijke onderbouwing, een beschrijving van het betrokken project en de afwegingen die aan het verlenen van de vrijstelling ten grondslag liggen, te bevatten. Deze vereisten gelden onverkort bij toepassing van artikel 19, vierde lid, van de WRO. Dit betekent voor de toepassing van laatstgenoemde bepaling dat, indien er een door de gemeenteraad genomen voorbereidingsbesluit geldt ten tijde van het verlenen van de vrijstelling, voor de ruimtelijke onderbouwing van het project niet met dit voorbereidingsbesluit kan worden volstaan. Daarnaast moet dan immers inhoudelijk zijn ingegaan op in elk geval de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel moet gemotiveerd worden aangegeven waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. Voor een verdergaande eis dat ten tijde van het verlenen van de vrijstelling ook daadwerkelijk een bestemmingsplanherziening in voorbereiding is, geven de tekst van de wet noch de wetsgeschiedenis (Kamerstukken I, 1998/1999, 25311, nr. 207b, memorie van antwoord, p. 7 en Handelingen I, 1998/1999, 25311, nr. 36, p. 1578) aanleiding.
200204703/1(BR 2003, p. 791), behoeven, naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie geringer is, minder zware eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het project. Anders dan appellanten sub 1 betogen, wordt in de ruimtelijke onderbouwing geen onjuist beeld geschetst van de relatie van de voorgenomen bebouwing met het geldende bestemmingsplan.