Uitspraak
200300268/1, waarbij een eerdere beslissing van verweerder op de op 1 november 2001 ingediende vergunningaanvraag is vernietigd, een nieuwe beslissing genomen op deze vergunningaanvraag.
Raad van State
Bij besluit van 28 juni 2005 verleende het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende gedeeltelijk een vergunning en weigerde deze gedeeltelijk voor een rundvee- en varkenshouderij op een perceel te Leende. Appellanten stelden beroep in tegen dit besluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde de zaak op 29 november 2005.
De kern van het geschil betrof de vraag of de onderliggende vergunning, verleend krachtens de Hinderwet, gedeeltelijk was vervallen omdat delen van de inrichting gedurende drie achtereenvolgende jaren buiten werking waren geweest. Verweerder baseerde zich op meitellingen en gegevens van diverse instanties, maar kon niet aantonen hoeveel dieren daadwerkelijk op de locatie waren gehuisvest. Hierdoor ontbrak een deugdelijke motivering omtrent het verval van de vergunning.
De Afdeling oordeelde dat het bestreden besluit in strijd was met het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 Awb Pro) en vernietigde het besluit. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellanten. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee leden van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 15 februari 2006.
Uitkomst: Het besluit tot gedeeltelijke vergunningverlening wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over het verval van de onderliggende vergunning.